'Mijn kinderen gingen altijd voor'

Mevrouw Wijsman (1920) kwam in 1939 in de Laat de Kanterstraat wonen en bleef daar bijna 50 jaar, eerst met het ouderlijk gezin en daarna met haar man en kinderen. Na het vroege overlijden van haar man in 1955 moest ze zich als weduwe op eigen kracht staande zien te houden. Dat kostte de nodige inspanning, maar terugblikkend is haar oordeel: “De Laat de Kanterstraat, dat is mijn glorietijd geweest.”

 

In 1939 verhuisde mevrouw Wijsman als 19-jarige met haar ouders en 2 zusters van het Utrechtse Jaagpad naar de Laat de Kanterstraat, “echt een straat waar ambtenaren en wethouders woonden”. Veel onderling contact was er toen niet: “Het was een tijd dat je niet zoveel met elkaar omging. We groetten elkaar, verder niet”. Haar zusters waren bij het onderwijs en zij werkte tot haar trouwen bij Gerzon in de Breestraat als boekhoudster.

 

Voedseltocht

“In de oorlog ging ik altijd op de fiets met houten banden op voedseltocht naar een boer in Hoogmade. Het was een zanderige weg. Alleen in het midden lagen klinkers Ik was daar het handigste in bij ons thuis. Dan ruilde ik aardappelschillen voor een halve liter melk. Soms nam ik twee zakken met aardappelschillen mee en zei dat de extra melk voor een vriendin was.”

 

Woningnood

Haar ouders stierven op jonge leeftijd kort achter elkaar in 1947 en ’48. “Ik was de enige die nog thuis woonde. Er was woningnood en ik wist zeker dat ik mensen in huis moest nemen. Ik vond dat er een gezin in moest komen. Een vriendin van mij was toen net in verwachting, dus ik heb haar gevraagd. Daaruit kwam weer een huwelijk voort, heel romantisch, want haar broer was mijn latere man.” Ze trouwden in 1948 en kregen een zoon en een dochter. Bij de geboorte van haar dochter vond het gezin van haar vriendin, die nu haar schoonzus was geworden, een andere woning.

 

Geen weduwenpensioen

Kort daarop bleek meneer Wijsman ernstig ziek. Hij overleed in 1955.
“Het was slecht geregeld in die tijd. Het duurde nog even voor er een weduwenpensioen kwam (1959). Mijn man werkte bij de zilverfabriek Kempen en Begeer in Voorschoten. Ik zou maar 1 week loon uitbetaald krijgen na zijn dood. Toen ging ik naar de directeur en heb toen nog 2 maanden loon gekregen.” Meneer Menken, de wethouder die aan de overkant woonde, stuurde iemand van de Sociale Dienst naar haar toe. “Die vertelde dat ik een renteloze lening kon krijgen, maar dan zou het huis wel aan de Sociale Dienst komen te vervallen.” Dat wilde ze niet. Ze ging kamers verhuren en deed de boekhouding voor een paar mensen, maar dat was niet genoeg. “Ik dacht: “Ik moet een beroep hebben waarbij ik thuis kan blijven”.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Belegde boterham

Een nicht raadde haar aan om het destijds nieuwe beroep van pedicure te kiezen. Dat pakte goed uit. “De eerste week verdiende ik 7 gulden en iedereen vond het fantastisch. De mensen vonden het leuk dat je niet je hand op hoefde te houden.” Er waren nog maar weinig pedicures en door mond tot mond reclame kreeg ze een grote klantenkring. De meeste klanten waren welgesteld. “Op den duur kon ik niet alleen mijn brood verdienen, het is een belegde boterham geworden.” In 1965 was ze zelfs een van de eersten in de buurt met een auto. “Dat was echt iets nieuws. Vroeger dacht je als er een auto in de straat stond: er is iemand ziek. Want dat was dan de auto van de dokter”.

 

Hockeyclub

Ondertussen stond ze wel alleen voor de opvoeding van haar twee kinderen. “Ik had weinig tijd voor vriendinnen, mijn kinderen gingen altijd voor.” Slechts een enkeling bood aan af en toe op de kinderen te passen. Toen de kinderen klein waren was ze actief voor de zondagsschool in de Asserstraat en nam haar eigen kinderen daarmee heen. Gelukkig werden in die tijd net de tennisbaan en de hockeyclub opgericht. “Dat was het ei van Columbus, daar gingen ze vaak na school naartoe.” “Toen de kinderen gingen verkeren begon ik me in de weekenden een beetje alleen te voelen. Ik ging toen op een zondag naar de Vredeskerk.” Ze was vrijzinnig hervormd opgevoed, maar had er niet veel aan gedaan. Nu spraken de woorden van de dominee haar zeer aan.

 

Cornelis Joppenz

Dat was het begin van 15 jaar durend vrijwilligerswerk in twee kerken, als ouderling en als penningmeester. Ze werd toen ook actief bij de oprichting van het buurthuis Cornelis Joppenz in de du Rieustraat. “Ik had die naam verzonnen, naar de jongen die aan het eind van de Spaanse bezetting bij Lammenschans de pot hutspot gevonden had. Op zaterdagavond organiseerden we dansfeesten, dan gingen we om het uur even kijken of alles goed ging.”

 

In kamerjas

Rond 1975 gingen de kinderen het huis uit. “Ik dacht al wel eens aan kamers verhuren en op een regenachtige dag stond er een meisje op de stoep, drijfnat. Of ik een kamer voor haar had. Anders moest ze d’r studie opgeven. Heel triest. Op dat moment werd er net centrale verwarming aangelegd, dus het was een troep in huis. Ze ging op de zolderkamer voor 100 gulden per maand. Ik heb met haar nog steeds contact. Later heb ik ook nog een student gehad die van uitslapen hielp. Ik ergerde me dood. Op de dag voor kerst stond hij eind van de middag in z’n kamerjas nog te bellen in mijn gang.”

 

Niet vergeten

Eind jaren tachtig verhuisde mevrouw Wijsman naar de Burggravenlaan, tegenover de Vredeskerk. Op den duur had ze het daar minder naar haar zin omdat vriendinnen en familie wegvielen. Ze werd ook bang dat ze nog eens van de trap zou vallen. Een jaar geleden is ze naar zorgcentrum Lorentzhof verhuisd, waar ze tot volle tevredenheid woont. Bij het bezoekje voor de foto bij het ouderlijk huis kortgeleden stonden in korte tijd diverse buurtbewoners om haar heen. Mevrouw Wijsman is wel verhuisd, maar niet vergeten.