Meid, ik zeem je ramen wel

De 77-jarige mevrouw Van Iterson kwam in 1956 in de Kanaalstraat wonen met haar man en vijf kinderen. Ze was toen 29 jaar en een zesde kind was op komst. Door de woningnood had ze wel 10 jaar op dit huis moeten wachten. Het werd passen en meten met uiteindelijk 8 kinderen. Het was een druk leven en hard werken. Maar de onderlinge burenhulp en nabijheid van winkels droegen veel bij aan haar blijvende woonplezier.

 

Mevrouw Van Iterson groeide op aan de Nieuwe Rijn als oudste van twee dochters. Op haar 15e botste ze letterlijk tegen haar toekomstige echtgenoot op. “Ik werkte als kapster op de Oude Rijn. Na sluitingstijd liep ik met een vriendin ’s avonds door het verduisterde Leiden. Het was in de oorlog. Op de hoek van de Haarlemmerstraat botste ik tegen hem op. Zo is het begonnen”. Haar man was meubelmaker. Op haar 19e trouwden ze en gingen ze drie jaar inwonen bij haar ouders totdat een tweede kind zich aandiende: “Toen wilde ik op mezelf wonen. Het werd een bovenwoning aan de Burgsteeg. Maar de kinderen konden daar in de binnenstad niet buiten spelen.”

 

Koning te rijk
Ze stond 10 jaar ingeschreven bij woningcorporatie Ons Doel. De Kanaalstraat kende ze van vroeger. In hun verkeringstijd gingen ze daar net als veel andere jongeren graag naar het land erachter, waar de koeien liepen. Op dit zogenaamde ‘Raamland’ waren veel straatclubjes aan het spelen. Het was toen heel open. “Vanaf de Nieuwe Vaart kon je naar tante Greet die aan de Kanaalstraat woonde zwaaien.” Toen mevrouw Van Iterson er kwam wonen, waren er al straten achter bijgebouwd. “Ik was de koning te rijk toen we het huis aan de Kanaalstraat kregen. De huur van 4,50 gulden werd elke week opgehaald door de heer Kosto, de vader van de latere politcus Aad Kosto. De kinderen waren helemaal op hol geslagen. Er waren veel vriendjes. Ze konden op straat spelen en naar de speeltuin om de hoek.”

 

Opklapbedden
“De woonkamer was toen in twee stukken verdeeld. Voorin sliep de baby. Achterin bij de keuken waren onze opklapbedden, vlak achter de eettafel. De overige kinderen sliepen op de bovenverdieping op drie kleine kamers en een groot portaal. Als het winter was gingen alle zomerkleren naar de vliering.” “Toen we er kwamen wonen was de tuin kleiner dan nu, maar we hadden er een kippenhok in. Erachter liep een sloot en daarachter weer huizen. Een half jaar later werd de sloot gedempt en kregen we er een stuk tuin bij.”

 

Ramen zemen
De familie Van Iterson was bij aankomst de jongste in de straat. Er woonden veel vijftigers maar ook andere grote gezinnen. “Naast ons was een gezin met tien kinderen.” Het was al snel duidelijk dat ze fijne buren had getroffen. Drie weken nadat ze hun intrek hadden genomen, werd het zesde kind geboren. “Toen lag je nog tien dagen op bed na de geboorte van een baby. En dan kwam er altijd wel een die zei: ‘Meid ik zeem je ramen wel’, want dat deed de kraamzuster niet.”
“Ik ging graag om met jongere èn oudere mensen. Er was veel contact in de straat. De vrouwen werkten nog niet buitenshuis. Als er iemand een huwelijksfeest had, zamelden we geld in de straat voor een cadeautje. Mijn kinderen deden boodschappen op de Hoge Rijndijk voor een bejaard echtpaar aan de overkant.”

 

Opschrijfboekje
Met haar drukke gezin was het voordelig dat winkels zo dichtbij waren. “Tegenover ons zat kruidenier ‘de Coöperatie’. Een andere kruidenier van de winkel op de hoek, Verhagen, kwam aan de deur.” Verder herinnert mevrouw Van Iterson zich nog een groentezaak en een sigarenwinkel. De slager zat op de Hoge Rijndijk. “Je had bij die winkels een boekje en dan liet je alles opschrijven. Dan ging je één keer in de week betalen.” De kinderen gingen naar de Prinses Ireneschool aan de Van Vollenhovenkade. “Dat was vlakbij gelukkig, want ik ging de hele dag op en neer om te brengen en te halen. Dan zat ik op de fiets, zelf in verwachting, met een kind voorop en een kind achterop. Later had ik een brommertje.”

 

Waskitten
Koken en wassen namen natuurlijk dagelijks veel tijd in beslag. “De was kookte ik eerst op in waskitten op het gas. De babywas deed ik met sunlightzeep. De luiers schrobde ik eerst met een borstel voordat ze de wasmachine ingingen.” Mevrouw Van Iterson naaide bijna alle kleren zelf en had daar veel plezier in. “Dat zat er al vroeg in. Vroeger maakte ik thuis al poppenkleertjes en mijn moeder was coupeuse.” Koken ging altijd in grote pannen. Dat was nog meer nodig toen de kinderen verkering kregen. Partners kwamen graag mee. “Je hebt er acht en krijgt er nog acht bij aan tafel.” Het was druk en vol, maar “we waren jong en konden er tegen.”

 

Aanloop
De buurt is intussen veranderd. Ze kent sommige straatbewoners niet meer. Er zijn nog steeds vriendelijke contacten, maar het is toch meer op een afstand. Veel echtparen zijn overdag van huis omdat beiden werken. Het echtpaar Van Iterson heeft het gelukkig te druk om het bruisende buurtleven te missen. Ze gaan graag met z’n tweeën weg op de scooter. Mevrouw doet het hele huishouden zelf en haar man is de ‘butler’. Hij zorgt altijd voor koffie en de drankjes voor de kinderen en kleinkinderen die nog steeds graag komen: “Je hebt altijd aanloop”. En: “Zo lang het gaat, blijven we hier wonen.”