'Je hoort de buren wel, maar je ziet ze niet meer'

Mevrouw van der Woude woont sinds 1942 aan de Sitterlaan. De woningen zijn in de jaren dertig gebouwd voor 5000 gulden per stuk. Bijna iedereen huurde de woning. Pas veel later kwam er gelegenheid om te kopen. Tot het moment dat mevrouw van der Woude bij haar echtgenoot introk (zelf kwam ze uit een dorp in de buurt), woonde hij in het huis met zijn moeder en broer. “Je trouwde vroeger vaak vanuit je ouderlijk huis en bleef daar soms nog even wonen tot er een woning voor je was. Hier was het omgekeerd: zijn moeder ging het huis uit.”

 

Inwoning van anderen, het hebben van huurders was toen heel normaal. “Zelf hebben wij dat tot ver in de jaren zestig nog steeds gedaan. In het begin, na de oorlog hadden vaak studenten op kamers. Het was een dolle boel.”
De oorlogsjaren, vooral de hongerwinter en de bevrijding staan mevrouw Van der Woude nog levendig voor ogen. Haar man ging geregeld met een karretje op zoek naar eten bij boeren in Noord-Holland. Hij was dan dagen weg. “We hoopten maar dat hij niet gepakt zou worden. Ik herinner mij dat hij op een dag met graan terug kwam. Nou dat was natuurlijk fantastisch.”
Ook het bombardement op de spoorbrug staat haar levendig bij. “Wij zaten in de kelderkast met de deuren en ramen open. Dat was het voorschrift.”
Mevrouw Van der Woude kreeg drie kinderen. In de jaren vijftig en zestig was de Sitterlaan rustig en veilig. De kinderen speelden allemaal op straat. De middenberm was veel breder en vormde een groene speelplaats. “De Professorenwijk was vroeger heel gezellig. Door de kinderen kwam je in contact met je buren. Daar gingen we vaak mee om. Je wist van elkaar, je hielp elkaar als er wat was. Je paste op elkaars kinderen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De Sitterlaan anno 1959(?) Wie het weet mag het zeggen. De Volkwagen Kever is lang populair geweest, dus dat geeft geen indicatie. De middenberm was toen wel een stuk breder dan nu.

 

Vroeger praatte je met iedereen, zowel voor de deur als in de tuin achter. Nu staan er hoge schuttingen. Je hoort de buren nog wel, maar je ziet ze niet. Dat is een grote verandering. Ik vind het een achteruitgang. Maar ik begrijp het ook wel. Mensen voelen zich dan veilig en willen na een dag werken niet meteen met iedereen contact. Toch is het jammer. Je gaat er zelf ook wat teruggetrokken door leven. Dat is het tegenstrijdige: door de inbraken en het vandalisme voelen mensen zich minder veilig en sluiten zich op.”

 

“Maar door onderling contact zou het juist veiliger kunnen worden in de buurt. Mensen gaan dan weer voor je opletten en waarschuwen je. Dat gebeurt tegenwoordig nauwelijks meer. Op dit moment wonen er weer veel nieuwe jonge gezinnen in de straat met kleine kinderen. Dat is leuk. Het is steeds een verassing. Vroeger wist je wie er zwanger was.
Ik heb overwogen te verhuizen. Maar ik blijf.”