‘Ieder zijn eigen klantenkring’

Een bekende bakkersnaam is het, Tijsterman, niet alleen in Leiden, maar ook in Oegstgeest, Katwijk, Rijnsburg en Voorschoten. In Leiden is een bakkerswinkel van Tijsterman aan de Haarlemmerstraat gevestigd. Tot 1985 zat er ook één in de Professorenwijk, om precies te zijn aan de van der Waalsstraat. We spraken met mevrouw Chr. Tijsterman, geboren in 1913 in Oegstgeest.

 

“Vroeger was de Van de Waalsstraat een echte winkelstraat, met meer winkels dan in de Van ’t Hoffstraat. Mijn man en ik hebben daar, op de hoek met de Buys Ballotstraat, 1941 de winkel overgenomen van bakker Spruit. Verder zaten daar groenteboer Flandrijn, kolenboer Van Dorp, Kruidenier Karreman en slager Zwartjes, waar nu Bruintje Beer zit. Zuivelhandel en kruideniers Juffermans en Van Schie en bakkerij Kallenberg zijn de enig overgebleven van vroeger. En ja, aan de Van ’t Hoffstraat zit nog steeds Raaphorst. Die zit er ook al van voor de oorlog. Drie bakkers dicht bij elkaar, en toch was het geen probleem.

 Heropening, na verbouwing, van de winkel banketbakker Tijsterman

in 1960.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Protestant

Ik herinner mij dat in ieder geval niet. Je had ieder je eigen klanten. Die kwamen in de winkel, maar je leverde vooral aan huis in de wijk. Ook Van Schie kwam vroeger op een kar met bussen melk aan de deur. Alleen bakker Raaphorst doet dat nog als enige. Raaphorst was katholiek, wij protestant. Misschien dat dat voor klanten uitmaakte. Ieder zijn klantenkring. Of het nou ook nog aan de sortering lag… Ja , wij hadden een heel groot aanbod banketkoekjes en bonbons en andere chocola. Er kwamen hier heel wat leveranciers over de vloer. Ook wist men dat ik de dingen leuk inpakte.”
“Bij brood en gebak zie je de smaak van mensen eigenlijk niet zo veranderen. Dat zal voor een kruidenier anders zijn. Wel wilden de mensen de laatste jaren allerlei soorten bruin- en volkorenbrood.”

 

Tot acht uur open

“Het leven van een bakker is heel zwaar, neem dat van mij aan. Voor mijn man gold dat nog extra omdat hij iedere dag op en neer moest naar de bakkerij van zijn vader in Rijnsburg. Hier aan huis hadden we immers geen bakkerij, alleen de winkel. Iedere nacht ging hij om vier uur van huis, op vrijdagnacht al om twee uur, en kwam dan ’s ochtends om een uur of half tien met zijn brood terug. Altijd stond ik in de winkel te wachten waar of hij nou bleef. Bij bakkers die aan huis bakten had je meteen in de vroege ochtend het brood in de winkel. Ik geloof trouwens dat mensen dat tegenwoordig belangrijker vinden dan vroeger. Je koopt je brood voor de volgende dag.
Vroeger mocht je het brood niet eens voor tien uur in de ochtend verkopen. Dat had, denk ik, te maken met de bescherming van de bakker, vanwege de nachtarbeid.”
“Een deel van het brood kwam in de winkel, een deel ging mee op de bakkerskar. Dat was eerst een trapkar, later een motorkar. Dan ging hij de hele ochtend bezorgen, kwam thuis warm eten en ging in de middag weer op pad. Naast brood had hij een aparte bak voor beschuit en ontbijtkoek. Klanten vroegen vaak om iets speciaals voor de volgende dag. In iedere straat hier had hij wel een paar klanten. In de jaren vijftig waren we met de winkel vaak tot acht uur in de avond open. We waren wel altijd tussen de middag dicht om warm te eten. Ik ben blij dat we op een gegeven moment om zes uur dicht mochten. Dan hield je tenminste nog wat tijd voor jezelf over, of voor een ouderavond van je kind.”

 

10 jaar eerder dood

De zoon van mevrouw Tijsterman was al in opleiding voor bakker, maar besloot daarmee te stoppen. Hij was vooral teruggeschrokken van de manier waarop hij behandeld werd als stagiaire van 15 jaar door een bakker in Oegstgeest. Hij stopte zijn opleiding kort voor het examen. ‘Een bakker gaat 10 jaar eerder dood dan een gewoon mens’, was zijn overtuiging.
“Mijn man vond het niet eens erg dat hij stopte. Het was immers een zwaar beroep en als kind moest hij direct na school in de bakkerij van zijn vader komen werken. Ik zelf ben nog wel naar de school geweest om te praten, ik vond het jammer, maar hij wilde niet meer. Kort daarna is hij een andere opleiding gaan doen. Hij is prima terecht gekomen.”

 

Vakantie

“Je voelde je als winkelier in de zelfde straat sterk met elkaar verbonden. In de oorlog hielp je elkaar. Toen er razzia’s op mannen werden gehouden ben ik er zelf op uit gegaan met de kar. De enkele ontbijtkoeken verdeelden we onder de vaste klanten. Toen de bom op de spoorbrug was gevallen ging de winkel een tijdje dicht. Met de kinderen ben ik toen bij m’n ouders in Oegstgeest ingetrokken.”
“We hadden een fantastisch bevrijdingsfeest in de straat, gekostumeerd. Mijn man en ik hadden ons verkleed als een Russisch paar. Na de oorlog gingen we wel eens met de andere winkeliers een avondje uit. Maar verder kwam er kort na de oorlog niet veel vakantie. In de jaren vijftig gingen we wel met ons gezin (twee dochters en een zoon – TvD) wel een weekje kamperen in Noordwijkerhout. Dan paste mijn zuster op de winkel. Die sloot toen nooit. Maar al in de jaren zestig gingen mijn man en ik ook op vakantie naar het buitenland. De kinderen gingen dan met de kampeervereniging mee. Dat vonden we heerlijk met z’n tweeën, daar sloten we zelfs de winkel voor, ik geloof als eerste in de buurt. Zo zijn we samen ook twee keer bij mijn geëmigreerde zuster in Californië geweest.”

 

Jatten

“Toen mijn man vanwege zijn gezondheid niet meer aan huis kon bezorgen, liep de klandizie langzaam terug. Eerst nam een student de kar wel eens over. Ook mijn oudste dochter heeft, toen ze vijftien was en van school kwam lang nog met de broodkar gereden. Maar daar zijn we toch mee gestopt. De laatste jaren hadden we brood van de broodfabriek. Mijn man was niet meer in staat te bakken. Op een gegeven moment moet je beslissen dat het niet meer gaat. Ook de komst van een supermarkt als Hoogvliet kwam daarbij. Sommige klanten gingen daar hun spullen halen. Toch heb ik nog tot mijn zeventigste in de winkel gestaan, 43 jaar lang dus. De kinderen in de buurt vonden het jammer. Die kwamen hier altijd voor snoep: spekken, drop, kauwgum. Voor vijf cent had je wat.”
“Vervelend was het jatten door de jeugd. Dat nam de laatste jaren toe. Dat waren bijvoorbeeld scholieren van het Lammenschanspark. Met hele ploegen trokken ze door de wijk. Ik heb daar wel eens over geklaagd. Dan kon ik boeken met foto’s inkijken, maar het lukte je toch niet om iemand echt goed te herkennen.”

 

Tevreden

“Ik heb het in de winkel altijd heel leuk gevonden. Wel zwaar, want we hadden geen personeel. De boekhouding was wel uitbesteed. Mijn zuster kwam geregeld helpen. Af en toe hielp een dochter. Tegen drukte zag ik nooit op. Pasen en Sinterklaas, dat waren leuke tijden. De winkel leuk maken.”
Mevrouw Tijsterman woont nu nog in hetzelfde pand. Ze is nu 84 jaar en redt het zelfstandig nog prima. Het winkelgedeelte aan de voorzijde is bij het huis getrokken. Ze heeft al veel bewoners en veel middenstandscollega’s zien vertrekken en is waarschijnlijk de oudste straatgenoot. “Ik ben blij dat de straat verjongt. Leuk is het om de nieuwe kinderen te zien. Laatst was ik gevraagd op de verjaardag van een buurkind. Leuk hè? Ja, ik ben tevreden over de buurt, ik hoef niet weg. Ook mijn eigen kleinkinderen komen regelmatig op bezoek.”