Ons stuk straat werd hofje genoemd, zo gezellig was het

Ons stuk straat werd hofje genoemd, zo gezellig was het Mevrouw H. de Ren is geboren en getogen Leidse. Ze is geboren in 1923 in het particuliere ziekenhuisje Hôpital Wallon aan de Papegracht. Vervolgens heeft ze enkele jaren in de Nieuwsteeg gewoond met haar ouders. Vader had daar een antiquariaat. Daarna heeft het gezin nog even in de Javastraat gewoond. In 1929 kochten haar ouders een huis aan de Cobetstraat voor 7500 gulden, voor die tijd een enorm bedrag. Het was toen net gebouwd. Sindsdien heet mevrouw De Ren daar altijd gewoond.

 

“De Cobetstraat, aan de kant van de even nummers, was toen de uiterste grens van de stad. De entree tot de straat van de Wasstraat. De koeien kwamen tot onze tuin. Vanuit het zolderraam kon je de boten zien varen in het kanaal. Ik weet nog dat ik in 1929 op zolder met mazelen lag en dat vader mij in een deken wikkelde en me door het raam naar een reusachtige zeppelin liet kijken. Begin jaren dertig is er verdere uitbreiding gekomen de De Mey van Streefkerkstraat en even later het eerste stukje De Laat de Kanterstraat. In deze buurt hebben altijd mensen met de betere banen gewoond, een hoofdredacteur van de krant, eigenaars van eigen zaken, een baron, noem maar op.”
“Ik ken de buurt dus al bijna zeventig jaar. Ik denk dat ik langzamerhand de oudste bewoner ben. Vooral het stukje waar ik woon was vroeger al heel geliefd. De bewoners hebben er tot op late leeftijd gewoond. Je kende elkaar. Ons stukje straat werd ook wel het Cobethofje genoemd, zo gezellig was het. Dat kwam ook door het postkantoortje dat iemand in 1937 in de voorkamer van een huis aan de overkant begon. Zo’n voorziening is heel belangrijk in een buurt. In 1953 is het door een nieuwe eigenaar, de heer Oom, overgenomen en uitgebreid met het pand ernaast tot een ‘winkel van Sinkel’. Ik heb er zelf ook nog gewerkt. Tegen de opheffing is in de buurt flink geprotesteerd. We konden echter niet verhinderen dat het postkantoortje verhuisde naar de Van ’t Hoffstraat. Nu ook de bank aan de Burggravenlaan is opgeheven wordt het vooral voor oudere buurtbewoners moeilijk.”

 

Kleuterleidster

De vader van mevrouw De Ren is in de jaren dertig bij de firma Brill gaan werken als chef van het antiquariaat. “Voor die baan moest hij vaak reizen, particuliere boekenverzamelingen opkopen. Zo heeft hij in Berlijn, vanuit een hotel de Kristallnacht meegemaakt. Alle ramen werden geblindeerd. Hij kwam geshockeerd thuis. ‘Dat staat ons ook te wachten als de Duitsers hier komen’, waarschuwde hij.”
Enige jaren later begon de Duitse bezetting. Na de oorlog is vader bij Brill vertrokken en opende hij opnieuw een eigen boekhandel en wel in de Diefsteeg in een pand waar nu het Chinees restaurant Wo Ping zit. In 1953 is hij aan de Breestraat het bekende Leids Boekhuis, later het Nieuwe Boekhuis, begonnen. Die zaak is later door Elsevier overgenomen en weer later is de NBBS in het pand getrokken.
Mevrouw De Ren heeft een groot deel van haar leven in de zaak van haar vader gewerkt, ook nadat die in 1965 was overgenomen door Elsevier. “Ik was opgeleid tot kleuterleidser op de Haanstraschool. Maar vader had mij nodig. Dus daar was niets tegen in te brengen. In de loop van de tijd begon ik het wel leuk te vinden, vooral de kinderboeken. Ik heb toen ook een vakdiploma gehaald.”

 

Ons kleine verzet

“In de oorlog hebben wij n ooit echt honger geleden. Vader ging af en toe op zijn fiets met houten banden naar familie in Noord-Holland voor eten. Ik weet nog dat we in de oorlog in een oude tas vergeten chocoladeletters vonden. Een enorme verassing. Ik mocht er een houden en de andere werden bij een boer geruild voor boter.”
“Ik heb in de oorlog illegale kranten bezorgd. Verschillende meisjes deden dat, jongens nooit. Ik geloof dat het Vrij Nederland was. Onder mijn kleren moest ik die op een aantal adressen in de buurt bezorgen. Ik haalde ze op bij een huis aan de Laat de Kanterstraat. Mijn ouders wisten ervan. Ze waren wel bezorgd, maar verboden het niet. Vader was lid van de Vrijzinnig Democratische Bond. Politiek actief was hij overigens niet, geloof ik. Thuis werd er niet veel over politiek gesproken. In de Kraaierstraat zat een groenteboer. Als je daar kwam, vroeg de mevrouw: ‘moet je nog wat?’ Dat was de code. Ze had in de onderste groentekist dan stiekum foto’s van de oranjeprinsesjes. Het was ons kleine verzet.”
“Bij de buren zaten onderduikers. Dat wisten we. Ik had op een dag net een razzia meegemaakt op de Hogewoerd. Snel rende ik naar huis om de buren te waarschuwen. Ik weet ook nog dat andere buren die net een granaat door het dak hadden gekregen bij ons kwamen schuilen. Er vielen wel vaker bommen in de omgeving. Bekend is natuurlijk het bombardement op de spoorbrug.”
“Ik herinner me ook nog heel goed de aanslag op de directeur van het Arbeidsbureau. Als wraak werden diverse hoger geplaatste Leidse mannen door de Duitsers opgepakt. Drie van hen werden doodgeschoten: het hoofd van de Eerste Leidse Schoolvereniging, de heer Douma, die overigens ook in de Cobetstraat woonde, een huisdokter en de rector van het gymnasium. De gereformeerde dominee Westerink, de zoon van onze buren, was daar zo van geschrokken dat hij bij ons onderdook. Ik weet nog dat ik thuis kwam en zag dat mijn bed beslapen was. Dat nam ik m’n ouders erg kwalijk; niet dat de dominee er was geweest, maar dat het zo duidelijk was dat iemand daar geslapen had. Dat vond ik erg onverstandig.”
“Het ergste dat wij in de wijk hebben meegemaakt is de ontruiming van het joodse weeshuis aan de Roodenburgstraat, het huidige gebouw van de GGD. Alle kinderen zijn op een nacht weggehaald, ook twee schattige joodse zoontjes van een Rabbi die ik van de Haanstra-kleuterschool kende. Het was verschrikkelijk.”

 

Opstel verbrand

Ik heb in 1944 examen gedaan op de Haanstra. Op de dag dat ik mijn diploma kreeg van juffrouw Glasz, vertelde zij mij dat een opstel dat ik had geschreven door haar was verbrand. De Duitsers zouden binnenkort op school komen en mijn opstel was erg anti-Duits. Ik had me dat helemaal niet gerealiseerd. In het zelfde jaar solliciteerde ik naar een baantje op de kinderafdeling van Endegeest. Daarvoor moest ik naar het stadhuis. Toen ik op de deur van de betreffende ambtenaar klopte, liet hij mij binnen met de roep “Heil Hitler’. Ik schrok me dood. Hij vroeg ‘heeft u wel eens voor de Winterhulp gecollecteerd?’ ‘Nee’, zei ik, ‘Zou u dat wel willen doen?’ ‘Nou, nee zei ik eerlijk.’ ‘Nee? Nou dan kunt u de baan wel vergeten.’ Gelukkig. Ook mijn vader was blij toe.”

 

Duitse schoten

“Eind april 1945 voelde je dat er wat stond te gebeuren. Op 29 april waren er droppings van voedsel op de weilanden bij ons achter. Op vrijdagavond 4 mei, weet het nog goed, werden de geruchten sterk dat de bevrijding nabij was. Bij kennissen waar de Engelse zender aan stond zijn vader en ik gaan luisteren. De dag later was het zover. Iedereen bleek plotseling nog een vlag te hebben: overal hing die uit. Groepen mensen trokken naar het stadhuis waar een NSB-burgemeester de echte, Van Sande Bakhuyzen, had vervangen. Het was een hele opgewonden stemming. Plotseling klonken er schoten. De Duitsers daar vuurden in de lucht om iedereen angst aan te jagen. Ik vluchtte met een vriendje in de Ketelboersteeg. Daar werden we door een mevrouw van de winkel Mack voor damesmode binnen gelaten.”

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bevrijdingsfeeft op de Burggravenlaan, nog zonder verdere bebouwing. Op de foto staan buurtgenoten

van mevrouw De Ren en haar moeder. De jurkjes zijn gemaakt van oude kranten.

 

Buurtfeest

“Op 8 mei kwamen de Canadezen over de Hoge Rijndijk de stad in. Iedereen was uitzinnig. Vader had me gewaarschuwd:’pas op, klim niet op een tank.’ Maar je deed het toch. Iedereen had zin om feest te vieren. Vooral op het plein Cobetstraat-hoek de Laat de Kanterstraat kwamen honderden mensen uit allerlei buurten bij elkaar. Daar is het sindsdien altijd gezellig geweest met bevrijdingsdag en Koninginnedag. Er was altijd een groot buurtfeest met muziek en kinderspelen en een optocht. In de garage van de melkzaak Janson stonden alle spullen al klaar. Met een bonnetje konden kinderen iets te drinken krijgen. De laatste jaren is dat verdwenen. Er gebeurt nu op die dagen bijna niets meer. Jammer is dat.”