‘Het Cobetplein was echt ontmoetingspunt’

In 1960 verhuisde Marja Wiebes met haar gezin naar een flat aan de Asserstraat. De binnentuin was ideaal voor de vele gezinnen die daar toen woonden. Ze hielp mee met de organisatie van Koninginnedag die meer dan 20 jaar geconcentreerd was in het hart van de Burgemeesterswijk, het Cobetplein. De centrale functie van dat plein heeft ze zien verdwijnen, maar ander bindende elementen zijn daarvoor in de plaats gekomen.

 

Marja Wiebes is afkomstig uit Rotterdam-Zuid. Ze kwam in 1954 naar Leiden om rechten te studeren en woonde op een kamer aan de Heerengracht. Ze leerde haar man kennen, die natuurkunde studeerde en trouwde met hem in 1957. In 1959 diende zich hun eerste dochter aan. Haar man was toen in militaire dienst. Met een kind erbij werd het te klein op één kamer. In oktober 1959 konden ze een driekamerflat aan de Asserstraat krijgen.

 

Binnentuin

“Het huis was boven de huurgrens. We stonden op een lijst van de universiteit. Die had opties op die flat. Er woonden veel natuurkundigen, medewerkers van het Kamerlingh Onnes laboratorium. Mijn man werkte daar, de buurman ook. Er was een tientje prijsverschil tussen een drie- of een vierkamerflat, maar dat verschil was voor ons toen te groot. Een grotere flat was wel prettig geweest want er kwamen nog twee dochters.”
De flat lag samen met andere flats rond een grote binnentuin. Er woonden veel gezinnen met kinderen die allemaal veilig in de binnentuin konden spelen. “Dat was ideaal, je kon gemakkelijk even weg, dan hielden buren wel een oogje in het zeil. In de binnentuin was een zwembadje voor de kinderen, een schommel, een glijbaan en een badmintonveldje, waar de volwassenen ’s avonds ook vaak speelden. In de zomer stonden er ligstoelen. Wij, en ook onze kinderen, hebben nu nog vriendschappen die dateren uit die tijd.” Intussen is het erg veranderd door hogere eisen aan de woningomvang. “Er is geen kind meer te zien op de binnenplaats. Na ons zijn er vooral alleenstaande dames gekomen; geen kinderen meer.”
De kinderen gingen eerst naar de Bambinoschool, de kleuterschool naast de Oppenheimschool, waar nu de kinderopvang is. “Voor de school stond het clowntje dat nu op het Trigonterrein staat”. Vervolgens gingen ze naar de dichtst bijzijnde openbare lagere school, de Oppenheimschool (nu Lorentzschool) en daarna naar het Stedelijk Gymnasium. Marja Wiebes was tijdelijk gestopt met studeren en had het druk met de opvoeding van haar dochters. Ze maakte al hun jurken zelf en hielp mee op school, bijvoorbeeld met boeken kaften, de bibliotheek en sportdagen. Toen de jongste naar school ging, begon ze aan de studie Slavische talen.

 

 

Zomer 1968: Kinderen in een badje binnentuin Asserstraat.

 

Collectebus voor Koninginnedag

Marja Wiebes hielp in 1960 voor het eerst mee met de organisatie van Koninginnedag. Ze kwam daarmee in aanraking via de belangrijkste organisatoren de heer en mevrouw Taselaar. “Hij was een neef van de vader van mijn man. We noemden hen oom Toon en tante Nel. Ze organiseerden Koninginnedag al vanaf 1947 en hielden dat 25 jaar vol. Toen ik meehielp, waren ze al begin zestig. Vrouwen werkten toen niet buiten de deur. Tante Nel was onderwijzeres geweest en had, net als mijn moeder, op haar trouwdag haar ontslagbrief gekregen. Dus ze had tijd voor allerlei andere dingen. Ze was een echte regelaar. ‘Tante Nel staat met de bovenleiding in haar handen’, zeiden we altijd. Ik hielp mee door langs de deuren gaan met een collectebus. Kinderen kregen dan een toegangskaart voor alle spelletjes en we vroegen daarvoor een bijdrage. Na de collecte gingen we samen koffiedrinken of naar de film.”

 

 

1967: Kinderen verkleed als burgemeester. (foto’s mw. Wiebes)

 

Er was elk jaar een kinderoptocht. Kinderen konden spelletjes doen, zoals eierlopen en ze konden rijden in de open paardenkoets van de gebroeders De Jong uit Leiden. Voor de garage van kruidenier Janson stond een poppenkast of een goochelaar. In 1963 liep ik voor het eerst mee met de optocht met mijn twee dochters verkleed als Miny Mouse. Toen in 1967 het twintigjarige bestaan van het Koninginnedagfeest werd gevierd, waren onze en de buurkinderen verkleed als burgemeester met een jacquetje aan, gemaakt van oude gordijnen. Burgemeester Van der Willigen was erbij aanwezig. De Koninginnedag werd altijd vanuit het Cobetplein gevierd. Leuk dat die traditie weer in ere is hersteld.”

 

 

Koninginnedag 1969: Kinderen op koets Gebr. De Jong.

 

Gemoedelijke sfeer

“Het Cobetplein was toen echt een ontmoetingspunt. Aan het plein waren de winkels van kruidenier Janson, bakker Nagtegaal, drogisterij Kleiweg en de groentewinkel van Vahrmeyer die er nu nog zit. Verder was er een soort Winkel van Sinkel en een persoonlijk bibliotheekje. Oude mensen gingen hun pensioen ophalen bij het postkantoortje aan het plein. In de Wasstraat zat een wolzaakje.”
Er heerste een gemoedelijke sfeer. Typerend daarvoor was de houding van bakker Nagtegaal. “Daar hebben mijn dochters nog op zaterdagochtend gewerkt. Ze kregen dan vaak gebak mee. Mijn jongste dochter was op 1 januari jarig en dan was alles dicht. Maar dan kwam mevrouw Nagtegaal toch gebak brengen. Het was allemaal heel persoonlijk, als je een kind kreeg, gaven winkeliers een cadeautje.”
De groenteman, de bakker en een man met wasmiddelen bezorgden ook aan de deur. “Je belde voor bestellingen bij de kruidenier of melkboer Van Leeuwen. De leveranciers verdeelden de wijk onder elkaar in stukken. Na onze verhuizing naar de Roodenburgerstraat in 1969 mocht de oude melkboer er eigenlijk niet komen. Als je hem toch wilde houden kwam hij stiekem achterom.”
In de jaren tachtig is het Cobetplein als centrum van de Burgemeesterswijk tot haar spijt verdwenen. “De heer Van Harteveld van de toenmalige DA drogist had de drogist uitgekocht en begon zelf zijn zaak in de Van ’t Hofstraat. Ook het postkantoortje kwam in handen van de familie Van Harteveld en ook dat verhuisde al snel naar de Van ’t Hofstraat. Daarna verdwenen de winkels één voor één.”

 

Sovjetstraat

De verhuizing naar de Roodenburgerstraat in 1969 had lang op zich laten wachten. “We wilden al wel eerder, maar er was nog woningnood en we mochten alleen een 4 kamer-flat voor de 3 dochters. Als er een zoon tussen had gezeten, hadden we een kamer meer mogen hebben, Uiteindelijk mocht het toch, maar er werd wel eerst gekeurd of het nieuwe huis niet te groot voor ons was.”
Vanaf 1978 ging Marja Wiebes aan het werk als literair vertaler. Haar leermeester Karel van het Reve heeft haar geïnspireerd tot metrisch en rijmend vertalen. Zij werkt nauw samen met andere slavisten, waarvan er toevallig veel in de wijk wonen. In de Roodenburgerstraat woont Yolanda Bloemen, vertaler en uitgever van Russische vertalingen en op de Cronesteinkade woont vertaler Margriet Berg; verder wonen er nog zeker vijf slavisten in deze wijk. “ Het is vast geen toeval. Als je de letters van de Cobetstraat leest volgens het Russisch alfabet zou hij Sovjetstraat heten.”

 

‘De wijk kan het hebben’

In haar ogen is de Burgemeesterswijk langzamerhand meer een wijk van individuen geworden. Dat wil niet zegen dat mensen zich afzijdig houden als er belangrijke dingen aan de orde zijn. In 1972 was er bijvoorbeeld een plan om de Burggravenlaan onderdeel te maken van een rondweg, een cityring. “Daar hebben we tegen geageerd. De Burggravenlaan moest geen racebaan worden. Kinderen steken daar vaak over naar scholen aan de overkant. Ook de heer Labordus, het vroegere hoofd van de Ireneschool, was daarbij betrokken.” Het trof haar dat tegenargumenten niet om inhoud van maatregelen gingen, maar om de positie van de Burgemeesterswijk. “De PvdA-wethouder zei: ‘Mevrouw, u hebt het al zo goed’.” Dezelfde redenering dat het hier om een bevoorrechte wijk gaat die zijn privileges niet wil verliezen neemt ze ook waar bij het voorgenomen heroïneproject in het voormalige GGD-gebouw aan de Roodenburgerstraat. “Er wordt gezegd dat ‘de wijk het kan hebben’. Ik begrijp niet hoe iemand op het idee kan komen zo'n ingrijpend project te starten op 50 meter van een school, een speelplantsoentje, een sportterrein en op 75 meter van een bejaardenhuis.”
Aan positieve ontwikkelingen ontbreekt in haar ogen overigens niet. “In sommige straten met veel kinderen zijn er weer straatfeesten. In begin jaren zestig had je buurthuis/speeltuin het Profje, waar bijvoorbeeld Sinterklaas werd gevierd voor daar de Vredeskerk kwam. Nu zorgt de speeltuin met het Kasteel opnieuw voor binding in de wijk.”