'Ik heb de eerste wijkbewoner meteen vaste klant gemaakt'

 

Een ware pionier in de snel groeiende Professorenwijk was hij: Herman Overdevest van Melkinrichting De Sierkan. In 1938 werd een filiaal van dit familiebedrijf uit de Herenstraat geopend op de hoek van de De Sitterlaan en de Franchimontlaan. Maar eerder, vanaf de bouw van de eerste huizen in de wijk, begin jaren dertig aan de Zeemanlaan en de Lorentzkade, was de heer Overdevest vastbesloten om zoveel mogelijk klanten in deze nieuwe wijk te werven. “Als een nieuw gezin een huis betrok, bood ik ze als welkomstgeschenk een bus met 40 liter warm water aan om het huis schoon te maken.”

 

De thuisbasis van het familiebedrijf van De Sierkan in Leiden bevond zich in de Herenstraat. “Mijn grootvader had daar al een melkzaak op nummer 11. Hij werd ziek zodat zijn zoon, mijn vader Nico, in de zaak moest komen. Dat was hij eigenlijk niet van plan. Mijn vader was bekwaam wagenmaker. Hij was zelf geboren en getogen in de Herenstraat, toen nog deel van Zoeterwoude. In mei 1913 is mijn vader toen een groot winkelbedrijf, een melkinrichting en melkfabriek, begonnen aan de Herenstraat op nummers 96, 98, 100 en 102. Een flink bedrijf voor die tijd. De eerste klant van een bedelaar, die dorst had en voor 3 cent een glas melk wilde kopen. Mijn moeder, Anna Overdevest-Schoondergang, tapte een glas melk uit de koperen bus, maar kreeg toen de kraan niet meer dicht. De bus is helemaal leeg gelopen. Dat was een mooie inwijding van de melkwinkel.”
Kort daarop, in 1914, brak de Eerste Wereldoorlog uit. Op het grote terrein naast en achter de melkinrichting kwamen in dat eerste oorlogsjaar legerbarakken voor militairen en vluchtelingen uit Antwerpen. Deze barakken zijn pas in 1920 weggehaald, waarna Tuinstadwijk werd gebouwd. Dat leverde natuurlijk veel klanten op voor de familiezaak. “De melk werd ’s morgens en ’s avonds bij verschillende boeren gehaald met paard en wagen, ook op zondag. Bij aankomst in de melkinrichting in de Herenstraat werden de bussen melk naar reuk en smaak beoordeeld en op vetgehalte onderzocht. Vervolgens werd ze gezuiverd en in koperen bussen van 40 liter gedaan. Melkbezorgers brachten de melk naar alle wijken van de stad met handkarren, zelfs tot bij het groene kerkje in Oegstgeest.”

 

Heerlijke roomkarnemelk
“Om vier uur in de ochtend begon mijn vader al volle gezuurde melk met room te karnen en dan had je om zes uur heerlijke roomkarnemelk. De boter werd van de karnemelk gescheiden, op de kneedmachine van vocht ontdaan en verpakt met de boterpakmachine, waarbij het embleem van De Sierkan, met de Leidse Sleutels, in de boter werd gedrukt. Verder werd er heerlijk roomijs gemaakt, met vanille-, frambozen en moccasmaak. Dit ijs werd tot ver in de omtrek verkocht, onder andere per liter in een ijskan. Mijn vader heeft ook enkele jaren volvette Goudse en Leidse kaas gemaakt. Op de Zoeterwoudseweg hielden we varkens, die een tijd lang de overgebleven karnemelk op hebben geslobberd. We maakten ook melkproducten, zoals room, yoghurt, gortepap, bloempap en havermoutpap. En chocolademelk met cacao van Droste. In een centrifuge werd de melk gesplitst in room en taptemelk. Het is tweemaal voorgekomen dat de centrifuge uit elkaar sprong. Het gebeurde ook wel een dat de drukmeter van de stoomketel boven de zes atmosfeer kwam. Dan werd er stoom afgeblazen en stond de gele fabriek op zijn grondvesten te schudden. Mijn vader moest dan water bijvullen en kolen uit de oven halen om de druk te verlagen.”

De klanten werden dagelijks bediend, op zaterdag zelfs tweemaal, door personeel in uniform: jekker en pet met een koperen sierkan erop. “De jekker was van laken, rechtstreeks betrokken van de fabriek van de firma Krantz. In de zomer droegen ze gele jassen met rode biezen. Dan werden de koperen bussen op de handwagens afgedekt met molton dekens tegen de zon. Ook op de hoezen waren ’Sierkannen’ gedrukt. Samen met de Leidse sleutels was dit het vignet van het bedrijf geworden.”

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Eerste bewoner Professorenwijk
Begin jaren dertig begon de aanleg van het eerste buurtje in de Professorenwijk: de Petruskerk en de huizen eromheen. Herman Overdevest, geboren in 1918, draaide inmiddels mee in het familiebedrijf. “We hadden thuis afgesproken dat ik deze nieuwe wijk voor mijn rekening zou nemen. Ik weet nog heel goed dat de kerk en de huizen met die leuke erkers gebouwd werden. Op nummer 23 van de Zeemanlaan kwamen de eerste bewoners wonen: de familie Van der Werf. Die man is 99 jaar oud geworden. Op nummer 21 kwam de familie Bouter. Meneer Bouter was chef van C&A in Leiden. Dat gezin is later gaan wonen op de Van de Sande Bakhuijzenlaan 14. Toen de eerste bewoners hun huizen betrokken was er nog helemaal geen straat, alleen van de metalen platen. Met veel moeite kwam ik toch voor de deur met mijn kar met melkbussen.”
“De bouw van de Petruskerk was natuurlijk een enorm project van meerdere jaren. Ook daar had ik klanten: alle werklui moesten toch ook schaften. Aan de heiers, met stoommachines van 10 atmosfeer, stukadoors en metselaars verkocht ik hele en halve liters melk en chocolademelk. Ik ging ook de kerk in en de steigers op. Toen de kerk eindelijk klaar was in 1936 ben ik met een paar vrienden op de avond voor de officiële inwijding naar binnen geslopen en toen hebben wij vanaf de toren zelf alvast de kerk ingewijd; ik zal niet vertellen hoe.”

 

Italiaanse granietwerkers en Katwijkse vissers
In de jaren dertig groeide de wijk uit in oostelijke richting. Herman Overdevest trok mee met zijn melkkar. “Ja, ik heb alle huizen wel zien bouwen. Ik ontmoette natuurlijk de arbeiders van allerlei komaf. Die kochten ook wel eens wat bij me. Je had de Italiaanse granietwerkers voor de vloeren en de aanrechten. De metselaars kwamen opvallend vaak uit Katwijk. Door de werkeloosheid in de jaren dertig waren de werkeloze vissers zich op de bouw gaan richten. Natuurlijk ook veel timmerlieden en stukadoors. Zo herinner in mij onder andere aannemer Evert Halverhout, die later aan de Franchimontlaan is gaan wonen.”


“De grond werd bouwrijp gemaakt met grond die aangevoerd werd van de Joodse begraafplaats naast de molen De Valk. Dit deed onder andere firma Vollebrecht uit Oegstgeest. Als je goed keek, zag je vaak beenderen tussen de grond liggen.” Herman Overdevest slaagde erin om langzamerhand steeds meer klanten te krijgen. “Het waren een bepaald soort mensen die hier kwamen wonen. Logisch: het waren geen goedkope huizen.