'De Bakhuyzenlaan is altijd een geliefd laantje geweest'

De heer en mevrouw Stuut wonen ruim vijftig jaar in hun woning aan de Van de Sande Bakhuyzenlaan. Die laan is vele Leidenaars niet bekend. Zij bevindt zich achter de de Sitterlaan en vormde ooit de rand van de stad. De huizen zijn in 1939 en 1940 gebouwd, die aan de de Sitterlaan een jaar later. De huizen in de nabij gelegen Stieltjesstraat stonden er toen al.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Oorspronkelijk ben ik een Rotterdamse. Na het bombardement van die stad zijn we in 1941 naar Leiden gekomen. Dat was wel even wennen voor een stadsmens. De Bakhuyzenlaan bevond zich in die jaren immers aan de rand van de stad. We keken zo de weilanden in. Het was hier zo rustig, zo anders dan het drukke leven van Rotterdam. We zaten hier als een van de eerste bewoners in een jonge buurt. De bomen werden hier net geplant. De koeien stonden aan de andere klant van de sloot te loeien. ’s-Zomers moest je al je ramen dichthouden vanwege de vieze vliegen. In die jaren had je een schitterend vrij uitzicht op de molen aan de kanaalweg en op het kanaal, zelfs op de trein naar Utrecht.

 

De oorlogsperiode bracht de mensen in de buurt dichter bij elkaar. Door de schaarste waarschuwde men elkaar als er ergens iets extra’s te koop was.
Soms ruilden we voedselbonnen. We zaten allemaal zonder gas en kookten op een noodkacheltje waar hout in ging. Maar ook hout was moeilijk te krijgen. Zodra het donker was gingen we dan ook het weiland langs de Burggravenlaan in om houten palen te jatten die de Duitsers daar wilden plaatsen om het landen van vliegtuigen te verhinderen. Doordat een aantal mensen zo dom was om ook overdag palen te halen, kwamen de Duitsers er achter. De Duitsers gingen langs de huizen en eisten dat de palen teruggeven werden, anders zouden ze de huizen in brand steken. Gelukkig woonde er op de laan een Duitse mevrouw die getrouw was met een Nederlander. Zij heeft de militairen binnen gehaald en met ze gesproken. Het liep goed af. Bij ons in huis hadden we het hout onder de vloer verstopt. Tientallen jaren later kwamen we er nog wat van tegen.

 

De spoorbrug over het kanaal is eind 1943 door de Engelsen gebombardeerd. Zij hoopten daardoor de aanvoer van V1-raketten vanuit Duitsland, die naar Engeland werden geschoten, te blokkeren. Mevrouw Stuut liep toen net met haar kind bij de brug en kon schuilen in een rioolpijp.
Toen ik thuiskwam bleken van alle huizen de ramen en deuren kapot en er scheuren in de gevels te zijn gekomen. De scheuren zitten nog steeds in veel huizen. Gelukkig was er geen persoonlijk letsel.

 

Na de oorlog werd de wijk uitgebreid. In de jaren vijftig verrezen de flats aan de Kanaalweg en de Franchimotlaan. Vanaf aannemer Halverhout werd ook een nieuw rijtje huizen neergezet.
Ook links en rechts van de Burggravenlaan kwamen flats. Tot dan toe was ook dat open land. 
“Die flats werden VVD-flats genoemd, omdat die partij zich nogal sterk had gemaakt voor de bouw.”

De woningnood was in de oorlog zo groot dat een gemeentelijke verordening kleine gezinnen in relatief grote huizen verplichtte om huurders in huis te nemen.

 

Op het land bij ons aan de overkant werden na de oorlog twee houten scholen gebouwd die waren geschonken door de Finse regering als geschenk voor de wederopbouw. Het was een katholieke school, de Don Bosco en een openbare school, de Lorentzschool. Ze waren bedoeld om 10 jaar mee te gaan, maar ze hebben tot ver in de jaren tachtig gestaan. Toen zijn ze, met een tussenpoos van twee jaar, afgebrand, allebei in de zomervakantie. Brandstichting dachten veel mensen. Gelukkig stond in beide gevallen de wind gunstig en hadden wij er geen last van. 

 

Tussen de twee scholen was er ook een stenen gymnastieklokaal gebouwd. Daar werd ook ’s-avonds gebruik van gemaakt door clubs of verenigingen. Ook diende het als stemlokaal bij verkiezingen. Op de plaats waar nu het consultatiebureau aan de Burggravenlaan is, was kort na de oorlog buurthuis ‘Het Profje’ neergezet. Daar is heel lang voor diverse buurtactiviteiten gebruik van gemaakt. Ook werden er kinderfeesten en dansavonden gehouden.

 

Vroeger had je veel meer buurtwinkels dan nu. Nog steeds kun je terecht in de buurt, bijvoorbeeld in de Van ’t Hoffstraat. Dat was vroeger een echte winkelstraat met, toen al, Bakker Raaphorst, Zirkzee, een vishandel en niet te vergeten drogisterij Van Harteveld. Je had eigenlijk op bijna iedere hoek van een straat een winkel. Op de hoek Sitterlaan-Franchimotlaan zat kruidenier Van Kesteren. Op de andere hoek zat de Sierkan met melk, kaas en boter. Daar zitten nu een bank en een verzekeringsmaatschappij. Op de hoek Franchimotlaan-Stieltjesstraat zat een groenteboer en ook verderop in de Stieltjesstraat zaten winkels: nog een groentewinkel, slager Kikkert en een bloemenwinkel. Melkboer, bakker, slager en groenteman kwamen altijd aan de deur. De groenteman met paard en wagen. Het paard wilde overal een stukje brood. Duurde het haar te lang, dan begon ze met haar hoefijzer op de stoep te krassen.

De Bakhuyzenlaan is altijd een geliefd laantje geweest. Het was er rustig en rustiek wonen met voor- en achtertuinen en ook na de nieuwbouw aan de overkant is het er nog steeds heel groen. De oorspronkelijke sloot is ooit verbreed. Sinds de jaren zeventig worden de huurwoningen ook verkocht. Maar er heeft nog nooit een bord ‘te koop’ in de tuin hoeven staan.

 

Als jonge gezinnen hadden we goede verstandhouding, we hielpen elkaar. In de jaren vijftig waren wij de eersten met televisie. Op woensdag- en zaterdagmiddag zat het huis hier dan vol met kinderen, de schoenen keurig in de gang. De kroning van koningin Elizabeth was het eerste dat we op de TV zagen. Mannen uit de buurt en kennissen kwamen hier geregeld naar voetbal kijken.

 

Die saamhorigheid van vroeger is minder, dat is logisch, mensen kunnen zich meer permitteren. Maar nog steeds gaan veel mensen vriendelijk met elkaar om. Buren groeten elkaar en maken een praatje. Zo nodig help je elkaar. Het is nog altijd een genoegen om op deze laan te wonen.