Met z'n vijftienen in een huisje

Wie kent er nog een groot gezin? Zo een van meer dan zes kinderen. Vroeger was dat gebruikelijker dan tegenwoordig. Het gemiddelde kindertal ligt nu nog niet eens op twee. Mevrouw W. Schouls heeft maar liefst 13 kinderen groot gebracht in een niet eens zo groot huis in de Goejestraat, in de Rijndijkbuurt. Dat was een levenstaak.

Alle kinderen zijn al lang de deur uit, maar een drukte blijft het: met 42 kleinkinderen en 16 achterkleinkinderen heeft ze iedere week een verjaardag, soms meer den één. Grote gezinnen zit in de familie: zelf komt uit een gezin van tien kinderen, ze heeft een zus met veertien kinderen en één van haar eigen kinderen heeft er zeven.

 

Naar de kerk
Mevrouw Schouls is geboren in Zoeterwoude in 1910, in de Weipoort, maar ze kwam als kind al regelmatig in Leiden. “Mijn ouders waren van de gereformeerde gemeente en die kerk stond in Leiden, aan de Middelste Gracht. Daar staat die nog steeds, maar tegenwoordig gaan we naar Leiderdorp. Het hele gezin van tien kinderen liep op zondag van Zoeterwoude naar de Middelste Gracht. Mijn schoonouders waren gereformeerd, mijn man was het ook en mijn kindere zijn het ook. Het is een kerk met vaste aanhang. Toch is dat tegenwoordig bijzonder. Wie is er nou nog godsdienstig? Vroeger zag ik op zondag wel meer buren in de straat naar de kerk gaan. Ik geloof dat ik nu de enige ben.”
Na haar trouwen in 1935 is mevrouw Schouls, ja, familie van het aannemersbedrijf, met haat man in de Staalwijkstraat gaan wonen. Nadat het vierde kind geboren was werd dat huis te klein. “In de Goejestraat werden, net voor de oorlog nieuwe huizen opgeleverd. Dat leek ons wel wat, ook omdat het aan de rand van de stad was, een beetje dichter bij m’n ouders. Het was ook echt de rand van de stad toen, je keek zo over het kanaal de weilanden naar Zoeterwoude in. Ik kon mijn ouders zien komen aanlopen. Ik vond het heerlijk, midden in stad zou ik toch niet willen wonen, ik kom uit een dorp.”
“We huurden het huis in het begin voor vier-en-een-halve gulden per week. Later heeft mijn man het voor 18 duizend gulden gekocht.”

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Drie per ledikant
In de Goejestraat zijn vervolgens nog negen kinderen geboren.
“Tegenwoordig weten ze wel raad met het aantal kinderen, maar dat had je vroeger toch niet. En het zou ook tegen mijn geloof ingaan. De kinderen sliepen met z’n drieën in een ledikant.
Op zolder stonden twee ledikanten, in de voorkamer boven stonden er ook twee en aan de achterkant stond er één. Het ging allemaal net. Als er gegeten werd, was de groep verdeeld over de twee tafels in de voor- en de achterkamer. Later, met verloofden erbij werd het proppen. Mijn man wilde wel verhuizen naar de nieuwe huizen achter ons aan de kanaalweg, maar ik hoefde niet.”

 

Geen tijd voor spelen
“De Goejestraat is altijd een prettige straat geweest met keurige mensen. Geen ordinaire Leidenaars. Maar dat was in de Staalwijkstraat trouwens ook al. Je hebt de winkels dichtbij op de Hoge Rijndijk. Vroeger stak je daar gewoon over, tegenwoordig duurt het een uur voor je aan de overkant bent.”
“In de oorlog was het wel eens eng, omdat er bommen op het kanaal zijn gegooid. Alle ruiten van de huizen hier lagen eruit. Ze hadden gezegd dat als er bommen vielen je maar in de deuropening moest gaan staan, dat was veilig. Nou dat lukt je echt niet met een paar kleine kinderen.”


“Met de kinderen spelen, daar had ik geen tijd voor. Die speelden met elkaar en met de kinderen uit de buurt. Af en toe liepen we een blokje om langs het kanaal. Ik maakte veel kleren zelf, soms zat ik de hele nacht door te naaien.”


“Mijn kinderen hebben niet doorgeleerd, meteen aan het werk gingen ze. De jongens kwamen in het bedrijf van m’n vader. Tegenwoordig leert iedereen maar door, gewerkt wordt er niet meer.”

 

“Ik woon nou toch al zestig jaar in Leiden, maar ik voel me niet echt een Leidse, zoals je dat kunt zeggen van echte Leidse mensen, dat kun je ook horen, die hebben een eigen dialect.”


Nu iedereen de deur uit is, is het soms wel erg stil. Voor de gezelligheid heb ik twee studenten op kamers en een kleinzoon woont schuin aan de overkant.”