'De wijk was een wereld op zichzelf’

Dick Koopman heeft zijn hele leven in hetzelfde huis in de Verdamstraat gewoond, eerst met zijn ouders en zus, vervolgens met zijn eigen gezin. De buurt bood hem in zijn jeugd oneindig veel speelmogelijkheden en contacten met andere kinderen. In zijn geval zelfs over de standsgrenzen heen. “Je had altijd tijd tekort.”

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De ouders van Dick Koopman kwamen in 1934 te wonen in het eerste huizenblok van de Verdamstraat. De rest van de straat was nog onbebouwd, evenals het laatste stuk van de Burggravenlaan. Zijn oudere zus was net geboren en hij volgde 10 jaar later, in 1944. Hij groeide op op de grens van stad en platteland. “Iets mooiers kun je je als kind niet voorstellen. Wij hadden zoveel speelterreinen. We speelden volleybal met een net over de straat. Er was bijna geen verkeer. Ouders deden vaak mee met voetballen. Wijkagenten kwamen soms de bal afpakken. Dat hoorde bij de orde en netheid van de jaren vijftig. Spelen deden we ook op de prachtige schoolpleinen van de Kernstraatschool en het Gymnasium. De hooilanden hadden hoog gras waarin je kon verdwijnen, de sloten waren brandschoon. Toen we nog klein waren, konden we schuilen onder de rabarberbladen in de moestuinen als het regende.“

Belletje trekken
“Op de hoek met de Hoge Rijndijk was garage Van Ulden. Daar stond een afvalmet auto-onderdelen, lampjes en zuigerkleppen. Er was carbid om auto’s mee schoon te maken. Met Buismanbusjes, water en carbid maakten we daar donderbussen van en later snijbranders. Over de Hoge Rijndijk reed de tram. We legden schroeven en centen op de rails om te pletten en verkochten die dan weer door voor knikkers.” “In het voormalige Militair Invalidentehuis zat toen een in- en exportfirma. Daar omheen was een verwaarloosde tuin met hoge bomen waar een grote kolonie kauwen in huisde. Door ons lawaai vlogen al die kauwen dan op, echt luguber, dus dat werd ook een vast ritueel. Ook het huis waarin nu schrijver Maarten Biesheuvel woont, was omringd door bos. Dat was voor ons een geschikt adres voor belletje trekken in het donker, dan kon je snel de bosjes induiken. En in een oude, in onbruik geraakte koekfabriek langs het ‘zwarte pad’ naar het Rijn- en Schiekanaal ontdekten we balen zoethout. Dat was toen voor ons een hele attractie.” “Er waren kinderrijke gezinnen in de straat dus we gingen vaak met wel 10 kinderen op pad. We hadden een echte vriendenclub met lidmaatschapsgeld in knikkers en een toegangsritueel. Dan moest je met korte broek door de brandnetels lopen, langs de sloot tussen de Rijndijkstraat en de Verdamstraat. Dat was één van de laatste open riolen in Leiden, heel vies. De kunst was dat je er niet in moest vallen. Eens in de zoveel jaar moest de sloot worden schoongemaakt en dan kwamen van die polderwerkers met leren voorschoot en laarzen die aan hun pak vast zaten, met lange stokken met emmers eraan en dan werd het met de hand leeggebaggerd.“ De verbindingen tussen de buurten waren nog beperkt, met al die straten die nog onaf waren. Het was daardoor een heel avontuur om je eigen buurt te verlaten. “Wij hadden daar als kinderen een oplossing voor. We tekenden lijnen over de stoep die door liepen tot de Lorentzkade en dan namen we elkaar mee op de step. Onderweg maakten we haltes met verschillende nummers en kaartjes. Als er wel eens kinderen werden binnengeroepen door hun ouders, stond je daar dan, bij halte 17 op de Lorentzkade. Er kwam geen step meer langs en je moest terug gaan lopen.”

 

Stiekem op zondag in de auto
De bewoners van de Verdamstraat behoorden in de eerste decennia tot de ‘hogere middenstand’. Het waren overwegend maatschappelijk succesvolle mensen zoals hoogleraren, fabrieksdirecteuren, een afdelingschef van Ven D, leerkrachten uit het voortgezet onderwijs. De verzuiling was spelbreker in de contacten tussen kinderen. “We speelden samen buiten, maar als het regende, kon je voor binnen spelen maar in een kleine kring terecht. Het was een onuitgesproken code: de andere ging naar huis en jij werd niet mee naar binnen uitgenodigd.” Er waren een paar niet-kerkelijke, vrijzinnige gezinnen in de straat, waaronder zijn eigen ouderlijk gezin, en enkele katholieke kinderrijke gezinnen (met soms wel 12 kinderen) waar het thuis druk en gezellig was. “De gereformeerde gezinnen waren het meest gesloten. Omdat er veel maatschappelijk succesvolle mensen woonden, waren er op den duur relatief veel auto’s in de straat. Gereformeerden mochten ’s zondags niet autorijden. Mijn vader nam die kinderen op zondag soms stiekem mee naar het strand in de auto in hun matrozenpakjes. Dan moesten ze bukken zodat ze niet gezien werden.” “Elk kind ging naar de school van de eigen zuil. Ik ging eerst naar een Montessorischool aan de Zoeterwoudsesingel. Dat vonden veel mensen uit de buurt vreemd. Daarna ging ik naar school in de Kernstraat en later naar de HBS, allebei zo dichtbij dat je tussen de middag thuis kon eten. In mijn herinnering was school een soort bijzaak, waar je naar toe moest in een leven waarin spelen voorop stond. Je had altijd tijd tekort.”

 

Echte Leienaren
“Er was een enorm sociaal verschil met de gezinnen in de Rijndijkbuurt, direct achter ons. Daar woonden echte Leienaren, oorspronkelijk afkomstig uit de binnenstad. Ze gingen veel met elkaar om en dan hoorde je echte Leidse kreten over de schutting en burenruzies. Er werd soms gescholden en men ging op de vuist. Dat was bij ons ongewoon en dus spannend. Het waren gescheiden werelden, maar kinderen uit de Rijndijkbuurt kwamen toch bij ons thuis. Mijn ouders waren niet zo gevoelig voor standsverschillen. Mijn vader was chemicus en werkte als bedrijfsleider bij de ververij van de dekenfabriek Van Wijk en Heringa. Hij was één van de ontdekkers van de lichtechte kleurstoffen en had zijn eigen laboratorium. Hij reisde veel om materialen in te kopen, in 1950 zat hij zelfs een jaar in Amerika. Dat was toen heel bijzonder. Hij maakte gemakkelijk contacten en er kwamen veel buitenlanders bij ons op bezoek. Zo hoorde ik als kind veel verschillende talen spreken.“

 

De deur was open
“De wijk was een wereld op zichzelf. Je hoefde nergens voor de buurt uit. Er kwamen veel straatleveranciers zoals de olieboer met de hondenkar, de bakker met zijn wagen met een klepdeksel, de groenteboer met een weegschaal achterop zijn kar, de olieman die petroleum kwam bijvullen, de kolenboer en de turfboer met een kruiwagen en de oude ijscoman met Ermi-ijs. Voor 5 cent kon je een halve plak krijgen. Het was een zuinige tijd, zelfs in deze buurt. Het geld voor de melkboer legde je gewoon in de vensterbank als je niet thuis was. Boodschappen werden achterom in de keuken weggezet, de deur was open. De buurman die graag zijn oude vooroorlogse Franse Sedan uit elkaar haalde, liet gewoon al zijn onderdelen op een deken in straat liggen. Niemand kwam eraan. Wij liepen gewoon om, zodat alles op volgorde bleef liggen.” Dit buurtleven begon eind jaren vijftig, begin jaren 60 te veranderen. “De wijken werden groter, er kwamen nieuwe mensen bij die niet in die traditie groot waren geworden. Het dorpse ging eraf en er was minder sociale controle. Maar ik ben me er wel altijd bij betrokken blijven voelen. De verbondenheid leefde bijvoorbeeld sterk toen de hele straat actief werd om bebouwing van het sportveld tegen te houden. Vooral in de jaren zeventig, de tijd van wethouder Tesselaar, moesten we ons teweerstellen om de oases van groen te behouden. ‘U heeft 15% teveel groen’, werd tegen ons gezegd. Toen hebben we veel overlegd en met succes één front gevormd. Ook de straatgeest bestaat nog een beetje. Zo is er nog onlangs bij het vertrek van twee oudere dames uit de straat een straat feest georganiseerd.”