Glas in lood is dankbaar werk

De heer D. Galjaard was 14 jaar toen hij zijn eerste baantje kreeg. In 1934 werd hij bij een bedrijf aangenomen als stoffeerder. Het was geen bewuste keuze: er moest gewerkt worden en zijn moeder had de advertentie in de krant gevonden. Na zeven maanden moest hij er al weer mee stoppen. Zijn baas had geen geld meer om hem fl. 1,50 per week te betalen. Vervolgens kwam de heer Galjaard, wederom vanwege een advertentie die moeder had aangetroffen, terecht bij glas-in–lood bedrijf Buren aan de Hooigracht waar hij drie jaar werkte en één gulden per week verdiende. Hij bleef in het vak en maakte de overstap naar firma Dullaert aan de Narmstraat (voor 17 jaar). Vervolgens werkte hij 3 jaar in het bedrijf van de bekende oude heer Jilleba.

 

“Ik heb toen al vaak in de Professorenwijk gewerkt. In veel net gebouwde huizen heb ik glas-in-lood gezet, ook in de allereerste huizen, rond de Petruskerk. Die moesten allemaal glas-in-lood aan de voorkant krijgen. Een grote klus voor ons. We brachten de spullen met een handkar mee. Door de wind brak er eens het resteel af. Dat is de constructie waar het glas op de kar tegenaan stond. Nou, alles stuk natuurlijk. De huizen rond de Petruskerk vallen nu onder monumentenzorg. Het glas-in-lood mag er gelukkig niet meer uit.”
Het werk was zwaar en vaak ook ongezond en van vakantie was geen sprake. “Voor glas-in-lood was geen officiële opleiding. Je leerde er gaandeweg mee werken. Tot na de oorlog ging alles met de hand, ook het lood gieten, heel ongezond. In de oorlog kregen mijn vader, die typograaf was en daardoor ook met lood werkte, en ik extra bonnen voor melk. Dat was tegen de loodvergiftiging. Nu wordt het lood gesmolten en in verschillende maten in strippen gedraaid in de fabriek.”

 

Door de tochtdeur gevallen.
Galjaard is in 1946 getrouwd. Er was woningnood en ze konden inwonen in een studentenhuis op de Steenschuur, waar zijn vrouw een kennis had. In 1948 werd hun dochter Suzan geboren. Het gezin had echter maar één kamer ter beschikking. Daarom verhuisden ze het jaar daarop naar de Conradstraat bij de Lage Morsweg.
“Door mijn beroep kwam ik uiteindelijk aan mijn huis op de Sitterlaan. In 1955 moest ik voor mijn baas naar dat huis toe om glas-in-lood in een tochtdeur te zetten. De huurders daar konden het zo slecht met elkaar vinden dat er bij een ruzie één door de tochtdeur gevallen was. Eén van hen wilde nu weg. Ik was daar toch en stelde een ruil voor met mijn woning op de Conradstraat. Het huis aan de Sitterlaan was in bezit van een huisarts uit Hilversum. Die kwam kijken naar onze woning en de ruil kwam in 1955 tot stand. Ik werd hoofdbewoner. Wij hadden de benedenverdieping, een klein kamertje op de eerste verdieping voor mijn dochter en ook nog de zolder.” Met de andere huurder kon het gezin Galjaard het niet erg goed vinden. Die vertrok al snel naar de Van ’t Hoffstraat.


“Toen kregen we nieuwe problemen. Wij moesten er eigenlijk uit van de afdeling Huisvesting van de gemeente. Het huis werd te groot gevonden voor een gezin van drie personen. Door de woningnood golden er strenge regels voor de bewoning. We moesten er eigenlijk uit van de afdeling Huisvesting van de gemeente. Het huis werd te groot gevonden voor een gezin van drie personen. Door de woningnood golden er strenge regels voor de bewoning. Er was al een groter gezin op het oog, van een dokter, geloof ik. Wij zouden dan een woning in de Kapteynstraat krijgen. Op advies van onze dominee hebben we toen een advertentie gezet voor inwoning en zo kregen wij een aardige oudere vrouw als medebewoonster. Dat mocht volgens de regels. In de tweede helft jaren zestig hebben we het huis zelf gekocht.”

 

Eigen baas
In 1960 kreeg de heer Galjaard de kans om meer te verdienen bij een glas-in-loodbedrijf in Den Haag als chef. “Het werk was mooi, maar de dagen lang. Het bedrijf had al een vrije zaterdag, maar dat betekende dat ik 48 uur werkte in 5 dagen, en ik reisde natuurlijk heen en weer. Net als bij mijn eerste baantje, ben ik uiteindelijk ook hier maar zeven maanden gebleven. Ik kreeg een conflict over mijn loon.” Terwijl hij nog enkele weken bij het bedrijf bleef werken - Galjaard wilde het netjes afhandelen - besloot hij in 1961 voor zichzelf te beginnen.
“Daar voelde ik me behoorlijk onzeker over en dacht, ‘nou ben ik zelf directeur, maar wat nu?’ Ik zocht klanten in mijn eigen wijk. Zo kwam ik bij een huis in de Wasstraat en sprak de bewoonster aan: ‘Mevrouw, ik zie dat u glas-in-lood hebt en ik ben voor mezelf begonnen.’ Dat durfde ik niet meteen in mijn eigen straat te doen, dat vond ik armoedig. In de Wasstraat had ik meteen succes en in die eerste week verdiende ik als zelfstandige al evenveel als bij mijn baas. Overigens deed ik toen vooral glas zetten. Glas-in-lood was te bewerkelijk en dat kan eigenlijk niet op grote schaal zonder personeel. Ik zette eerst kleine advertenties, maar al snel deed mond op mond reclame de rest. Er was ook niet veel concurrentie in die jaren. In het begin deed ik alles op de fiets. Met het glas onder mijn arm. Later ging ik op de solex. Zo leverde ik zelfs spiegelglas af in Katwijk. Mijn dochter hield de spiegel dan achterop vast. Kort daarop stapte ik over op een gemotoriseerde bakfiets en nog was later kreeg ik een auto, waar uiteindelijk een aanhanger bij kwam. In 1963 reed ik met mijn aanhangwagen met spiegels, met mij dochter erop, mee in de reclameoptocht op drie oktober.”

 

Hoed tegen het stof
De Professoren- en Burgemeesterswijk was een echte ‘witte boorden buurt’, waar Galjaard als ambachtsman feitelijk een uitzondering vormde. “Ik heb nooit last gehad van rang of stand, daar hield ik me ook niet mee bezig. Mijn klanten accepteerden me, misschien wel omdat ik er altijd voor zorgde dat ik netjes gekleed was en de rommel opruimde op het werk.” Ook werkte hij om praktische redenen, tegen het stof, altijd met zijn hoed op. “Misschien heeft dat wel bijgedragen aan mijn imago. Opvallend genoeg was ik één van de eersten in de buurt die een auto had. De buren hadden vaak bezwaar tegen mijn aanhanger. Ze zeiden dan ‘Het is net een orgel, wilt u hem voor de deur weghalen?’”

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Angst en beven
De heer Galjaard maakte vaak lange dagen en soms werkte hij tot laat in de avond door op zolder, waar hij zijn werkplaats heeft. Voor het balanceren op een hoge ladder, om aan een raam te werken, draaide hij zijn hand nooit om. Zijn vrouw zat soms met angst en beven toe te kijken als haar man aan de overkant bij een klant zo bezig was. Het harde werken maakte wel dat hij gedurende zijn hele loopbaan veel last van spierpijn had. Daarom had hij een masseur, de vader van zijn latere tweede echtgenote. Met haar is hij getrouwd, nadat zijn eerste vrouw overleden was.

 

Doet u het nog?
Van het glas-in-loodwerk heeft de heer Galjaard altijd gehouden. “Werken met glas is ook een vak, maar naar glas-in-lood gaat mijn hart uit. Het is dankbaar werk omdat mensen het veel meer waarderen dan wanneer je gewoon glas komt zetten. Het geeft veel voldoening om, als je uit het raam kijkt, aan de overkant huizen te zien waar ik het glas-in-lood nog heb gerepareerd. Op veel plekken in de wijk overkomt me dat natuurlijk.” Ondanks zijn leeftijd, tachtig jaar, kan de heer Galjaard het werk nog niet laten. Twee jaar geleden heeft hij nog een grote klus gedaan: 16 grote glas-in-loodramen in een boerderij in Langeraar heeft hij gerenoveerd. Soms zegt hij na het eten tegen zijn vrouw ‘nog even kijken’ en vertrekt vervolgens naar zijn werkplaats op zolder, om pas in de nacht zijn bed weer op te zoeken. Zo nu en dan bellen mensen op en vragen dan voorzichtig aan zijn vrouw; ‘Leeft uw man nog?’ De heer Galjaard is daar eens handig op in gesprongen door, naast overlijdensadvertenties, een kleine advertentie te plaatsen met de tekst ‘Doet u het nog?’ Ja hij doet het nog.’