‘s Avonds kwam iedereen hier beppen’

 

Twee vriendinnen uit de Dozystraat, mevrouw Dexel en mevrouw Borst (82 en 76 jaar), halen samen herinneringen op aan het leven in de Rijndijkbuurt sinds de jaren dertig. Mevrouw Dexel is een geboren en getogen Leidse, mevrouw Borst ‘import’. Mevrouw Borst kon het Leids accent van haar straatgenoten eerst nauwelijks verstaan, maar nu zou zij net als mevrouw Dexel nergens anders willen wonen.

 

Mevrouw Dexel werd in 1923 geboren in de Kanaalstraat en verhuisde op 16-jarige leeftijd met het ouderlijk gezin naar een ruimere woning in de Dozystraat. “Je had toen nog ruim uitzicht over de weilanden helemaal tot aan de Sitterbrug. En aan de achterkant van ons huis kon je de trams op de Hoge Rijndijk zien rangeren. Daarmee kon je voor een dubbeltje retour naar Oegstgeest.” Achter het huis liep een sloot, dus het leven speelde zich vooral af aan de voorkant. “Er was toen echt een sfeer van ‘ons kent ons’. Je zat met goed weer altijd voor op straat. Bij ons stond een lantaarnpaal en ’s avonds kwam iedereen hier langs om te beppen.”

 

 

 

Beppie en Greetje

Aan de voorkant liepen twee koeien in de wei. “Beppie en Greetje kwamen als je ze riep. Soms liepen ze tot aan de tuin en aten onze jasmijn op.” Voor kinderen was er volop speelruimte. “In de winter hoefden we alleen het land over te steken en konden schaatsen over de slootjes. Er waren ook veel winkels in de buurt: drie kruideniers op de Hoge Rijndijk en twee groenteboeren. De coöperatie Vooruit zat vlakbij en daarnaast ook een groenteboer. Nu is alleen de Troefmarkt nog over.“ Scholen waren er toen nog niet in de wijk. Mevrouw Dexel ging als kind naar de Drie oktoberstraatschool. Daar had ze ook haar vriendinnen, met wie ze nog steeds contact heeft. In de eigen buurt was er vooral contact met familie. Twee broers van haar vader woonden in de straat en ze trok veel op met haar nichtjes.

Haar moeder maakte scholen schoon voor een dubbeltje per uur en vader was gasfitter bij de lichtfabriek. In de crisistijd werkte moeder ook in de gaarkeuken op school. Ze schepte eten op voor kinderen van werklozen. “Er waren wel eens lek- kere dingen bij zoals rozijnenpap, maar wij kregen niets. ‘Jullie hebben thuis te eten’, zei moeder dan. Die kinderen kregen ook gratis kleding, meisjes een geruit jurkje met klompen, jongens een geruite bloes.
Mevrouw Dexel herinnert zich als de dag van gisteren dat er bommen vielen, bestemd voor de spoorbrug, in de nabijgelegen Hartmanstraat. “Mijn broertje kreeg een scherf in zijn been. Die werd eruit gehaald, maar maanden later groeide er opeens een stukje broek uit zijn been.”

 

Echt Leids
In 1950 kwam de net getrouwde mevrouw Borst in de Kanaalstraat wonen. “Ik ben ingetrouwd bij mijn schoonvader, het was toen woningnood.” Ze kwam oorspronkelijk uit Woerden. Daar had ze in oorlogstijd haar man leren kennen die daar toen gelegerd was. Van Woerden naar Leiden was een hele overgang. “In het begin voelde ik me hier niet zo thuis. In de straat woonden veel sigarenmakers. De buren spraken echt Leids, ik verstond er niets van en was echt een vreemde.” Ze had ook niet veel tijd voor burencontacten want ze was druk met haar zes kinderen, drie jongens en drie meisjes. De opvoeding van de kinderen was al een dagtaak, zeker nadat haar man op jonge leeftijd in 1959 overleed. De jongste was nog een baby. “Ik ging voor regels, anders hield je het niet vol. Ze moesten van mij allemaal een diploma halen en zijn dan ook allemaal goed terecht gekomen.” Mevrouw Borst ging aanvankelijk uit schoonmaken en kon gelukkig goed naaien. “Van oud maakte ik weer nieuw.” Een paar maanden later werd gelukkig het weduwenpensioen ingevoerd. Toen de woningen in de Kanaalstraat gerenoveerd moesten worden in de jaren tachtig, verhuisde mevrouw Borst naar de Dozystraat. Haar kinderen waren toen al het huis uit.

In 1957 trouwde mevrouw Dexel. Ze woonde vijf jaar in een bovenhuis in de binnenstad, maar keerde na de dood van haar vader in 1962 terug in het ouderlijk huis.” Tien jaar heeft mijn moeder bij ons ingewoond.“ De drie kinderen in het gezin gingen ook naar de Drie oktoberstraatschool. “Ik bracht ze er met de auto naar toe. Toen hadden nog maar weinig mensen een auto en ik wilde eigenlijk niet leren rijden. Maar op een dag stond opeens een rijschoolhouder voor de deur. Die had mijn man op mij afgestuurd.“ Toen de kinderen groter werden, ging mevrouw Dexel werken in het bedrijfsrestaurant van 3M, waar ook verschillende familieleden van haar werkten.

 

Brandstichting
Na haar pensioen werd mevrouw Dexel actief in het vrijwilligerswerk voor ouderen en ontmoette daar mevrouw Borst. Die had samen met anderen een wijkouderenraad en een eettafel voor ouderen had opgezet. De maaltijden kwamen uit verzorgingshuis Groenhoven en werden geserveerd in het dienstencentrum voor ouderen in de voormalige ‘Finse school’ op het terrein tussen de Lorentzkade en de Beyerinklaan. In maart 1987 was het centrum hier ingetrokken, maar op 22 augustus van dat jaar brandde het gebouw helemaal af. Brandstichting was de oorzaak, maar de dader is nooit gepakt. Daardoor verhuisde het dienstencentrum tijdelijk naar de pastorie van de Petruskerk, `in de keuken van Swiebertje´, zoals beiden zich herinneren. Sommige activiteiten werden ook ondergebracht bij de Vredeskerk en in de Lorentzhof. In die jaren voerden ouderen actie voor een nieuw dienstencentrum en ouderenwoningen op hetzelfde terrein, wat later het Professorenpad werd. Daar was het actiecomité Zuid-oost voor opgericht. “Het duurde eindeloos lang voordat de gemeente iets besloot. Toen zijn we actie gaan voeren.” Op 27 juli 1990 kwamen 250 ouderen samen bij de Vredeskerk. De volksdansgroep voerde op straat demonstratief een dans op, waardoor de Burggravenlaan geblokkeerd werd. Als leuzes werden gevoerd ‘Ouderen zijn niet gek, wij willen ook een eigen plek’ en ‘Bordewijk (toen wethouder) kom over de brug, wij willen een dienstencentrum terug.’ Korte tijd later werd de nieuwbouw gerealiseerd. Beide bewoners wonen nog steeds naar volle tevredenheid op de Dozystraat. “Wij hebben een lekker rijtje.” Ze vinden het alleen jammer dat de Rijndijkbuurt minder betrokken wordt bij activiteiten in de wijk. “Kan de kinderoptocht op Koninginnedag nou niet eens door onze buurt komen?”