Een tevreden klant is goud waard

Wie van de oudere wijkbewoners heeft hem niet gekend: groenteboer Maarten van ’t Zelfde. Jarenlang bood hij met zijn groentewagen aardappelen, groente, fruit en conserven aan. Van zijn elfde tot zijn 65-ste jaar ventte hij met zijn waar. Hij heeft de wijk, de mensen en het winkelbedrijf zien veranderen. De handel zat hem in zijn bloed, hij had er lol in, ondanks de 70, 80 uur werk per week. En hoewel hij allang gepensioneerd is, heeft hij zijn interesse in groente en fruit niet verloren. Nog steeds haalt hij zijn eigen groente en fruit bij de grossiers. ’s-Middags eet hij alle dagen in de week bij het Diaconessenhuis. Het ziekenhuis is hem dankbaar voor zijn goede diensten. “Ik deed het werk met veel plezier, maar m’n vrouw heb ik wat tekort gedaan: je bent altijd op pad.”

 

Mijn vader woonde en werkte in Ridderkerk. Daar was hij scheepsbouwer bij de grote werf van Smit. Begin deze eeuw kwam hij naar Leiden met een collega die hier een werf wilde beginnen, maar dat liep mis. In 1904 is hij met een handeltje in aardappels begonnen.
Mijn moeder was een echte Leidse, Blansjaar, uit de Ververstraat, dochter van een kuiper bij zeepfabriek Dros en Tieleman, niet te verwisselen met de conservenfabriek van Tieleman en Dros. Zij was in betrekking bij een familie aan de Plantage. Toen ze een keer aardappelen ging halen ontmoette ze m’n vader. Liefde op het eerste gezicht. Toen ze trouwden was mijn vader al 44 jaar. Ze gingen wonen aan de Magdelena Moonstraat waar ze een winkeltje dreven in groente, fruit en brandstoffen. In 1906 werd ik geboren, de oudste van uiteindelijk negen kinderen.”

 

Kroppen sla

Hoewel meneer Van ’t Zelfde als jongetje wel naar school ging, van zijn vijfde tot en met zijn elfde jaar in de Pieterskerkgracht, begon de handel hem te trekken. “Vader liep al met een wagen, moeder bleef dan in de winkel. Ik weet nog dat ze daar altijd zat, had last van een kraambeen. Als kind hielp ik al mee. Na schooltijd verkocht ik kroppen sla die ik op moest halen van een grossier aan de Rijnkade. Tijdens de Eerste Wereldoorlog handelde ik met de soldaten die in barakken op de Koninginnelaan ingekwartierd waren.”
“Op m’m elfde huurde ik een handkar bij Van Weeren aan de Bakkersteeg, voor een gulden per week. Toen ging ik zelfstandig groente venten, vooral in het gebied van de Schelpenkade, de Jan van Goyenkade en de Drie Octoberstraat. Vooral op de Schelpenkade woonden rijkere mensen, professoren, doctoren.”
Van alle kinderen was Maarten eigenlijk de enige die definitief de handel in ging. Twee broers hielpen wel mee af en toe. Op z’n elfde verhuisde het gezin Van ’t Zelfde naar de Herensingel, vlak bij de Os- en Paardelaan. Daar opende vader ook weer een winkel, maar stopte met het venten.

 

Snotneus

“Ik heb met die eerste kar gelopen tot m’n dertiende. Toen liet ik bij de wagenmaker De Ru aan de Haven een mooie wagen maken. Die woonde tegenover smid Pleij. In die jaren had je aan het begin van de stad altijd vlak bij elkaar een smid en een wagenmaker. Dat was voor de boeren die met hun handel op paard-en-wagen naar de stad trokken. Het was een duwwagen; mijn broer die wat ongelukkig was hielp duwen. Iedereen vond me maar een snotneus, zo jong als ik al een eigen handeltje begon. Ik maakte op die leeftijd met m’n ouders een afspraak: ik wilde koopman worden. Ik moest natuurlijk al die jaren mijn verdiende geld inleveren en vader kocht de waar in. Maar dat wilde ik nu zelf gaan doen. Na enig protest gingen ze dan toch akkoord en kon ik zelf zaken gaan doen met een grossier in aardappelen en fruit. Veel van die handelaren zaten op de Boommarkt. Op m’n veertiende slaagde ik erin om zelf grossier te worden van aardappelen! Die haalde ik uit Katwijk; daar was een grote veiling. Op die leeftijd ging ik ook al naar de grote Haagse markt op de transportfiets en haalde daar allerlei waar. De eerste keer reed ik mee met Katwijkse handelaren. Ik vertrok dan al om vier uur in de ochtend uit Leiden, want de markt al begon om zes uur.”

 

Nieuwe wagen

Op z’n vijtiende ontmoette hij een leuk meisje. Zij was in betrekking bij een familie op de schelpenkade. Zelf woonde ze aan het Levendaal. Met haar is hij op z’n 24e jaar getrouwd. Ze konden toen, in 1930, een bovenwoning in de Dahliastraat krijgen. Van ’t Zelfde huurde een pakhuis bij de nieuw gebouwde Leidse veiling, direct achter het spoor. Niet lang daarna liet hij een nieuwe wagen bouwen die met een paard getrokken werd. Voor het paard huurde hij een stal aan de veiling. “De Leidse veiling is in 1960 definitief gesloten. Er was onvoldoende aanvoer meer van tuinders in de omgeving. Overal werd tuindersgrond bebouwd. Nu is er onder andere een veiling in Bleiswijk.”
“Een eigen winkel ben ik nooit begonnen. Mijn echtgenote was geen vrouw voor de handel.”
Mijnheer Van ’t Zelfde hield er al van jongs af aan van zijn waren met een rijm aan te prijzen. Op zijn nieuwe wagen stond aan de ene kant ‘Van alle groente en fruit zoek ik voor u het beste uit’. Een van mijn laatste klanten op een dag, professor Locher aan de Schelpenkade reageerde daar dan op met ‘nou, het beste is er voor mij zeker al uit.’ Aan de andere kant van de wagen stond geschreven: ‘Het fijnste dat Hollands tuin U biedt, is wat U op deze wagen ziet!” (Zie foto).

 

 

Maarten van 't Zelfde met zijn zoon en de groentewagen in de Sitterlaan. De foto is gemaakt rond 1947.

 

Veel ambtenaren

In 1935 kocht Van ’t Zelfde twee huizen aan de Van Bemmelenstraat voor 3400 gulden per stuk, die in 1936 werden opgeleverd. “We moesten verhuizen, want mijn vrouw had regelmatig last van maagbloedingen en mocht niet meer zo veel trappen lopen. De huizen aan de Sitterlaan stonden er toen al. Eind jaren dertig volgden de huizen aan de Van de Sande Bakhuyzenlaan. Ik kende een dokter Kedde die met zijn gezin van de Sitterlaan naar de Van de Sande Bakhuyzenlaan verhuisde omdat hij zijn vrije uitzicht over de weilanden kwijt raakte. De Sitterlaan is meer op stand, maar het uitzicht vond hij toch belangrijker.”
Van ’t Zelfde werd de vaste groenteman van de Professorenwijk. Hij bouwde een klantenkring op waarover hij vertelt alsof hij er nog iedere dag komt. Hij kent nog steeds vele adressen en de mensen die er klant waren uit zijn hoofd.

 

“In deze wijk heeft nooit de gewone arbeider gewoond. De Lammenschansweg, de Lorentzkade en de Sitterlaan, daar woonden de beter gestelden, onder andere dokters en hoogleraren. Verder waren het veel ambtenaren. In de Van Bemmelenstraat, Van ’t Hoffstraat, Kapteinstraat, daar woonden weer iets gewonere mensen, zoals politieagenten. ‘Ik kwam overal over de vloer, je bouwt een kring van vaste klanten op.
Sommige klanten kenden mijn vader al, kun je nagaan: die zijn dan al ruim vijftig jaar klant bij de familie. Of je krijgt een tweede generatie klanten van hetzelfde gezin. Ik bediende zelfs nog een klant die al van 1916 bij mijn vader was! Voor mij was de klant koning, maar ik wilde wel met respect behandeld blijven worden en dat leverde wel eens een botsing op. Een keer stond een klant met een klok in de hand op me te wachten, of ik niet een minuut te laat was. Nou dat contact is snel verbroken. Ik kwam ook bij een roomskatholiek gezin met 18 kinderen, moet je nagaan. Voor mij natuurlijk een goede klant.”