‘Het was hier mooi spelen in het weiland’

Meneer de Bolster (1921) koestert de tijd dat de Professorenwijk nog niet bebouwd was. Begin jaren dertig van de vorige eeuw was het een ideaal speelterrein voor hem en zijn vrienden die ook op het Levendaal woonden. In 1969 kwam hij er zelf te wonen toen hij met zijn gezin naar de Buys Ballotstraat verhuisde. Er is ondertussen veel veranderd, maar zijn gevoel in een veilige omgeving te verkeren is gebleven.

 

Als kind woonde meneer De Bolster met zijn ouders en twee broers op het Levendaal. Vader was textielarbeider. In de stad was weinig speelruimte. Daarom ging hij na schooltijd vaak met een paar vrienden uit de binnenstad naar de Professorenwijk die nog in opbouw was. “Het was nog allemaal land rond de Lorentzkade. Wij hadden een afspraak met de eigenaar van een stuk weiland, boer Roelofs, die aan de Haven woonde. In ruil voor onze hulp mochten we onbeperkt spelen op het land.”


“Alles mocht, als wij maar hielpen de koeien opdrijven naar de melkplaats. Die was bij de stallen, waar nu de Zeemanlaan bij de Lorentzkade uitkomt. De huidige Lorentzbrug naar de Thorbeckestraat was er nog niet. Maar in het verlengde van de Cronesteinkade had je wel een houten bruggetje over de Stadsmolensloot waar je net met paard en wagen overheen kon. Wij brachten de melk in kannen met een kar over dat bruggetje naar de binnenstad, helemaal naar de Haven. Eentje trok met een touw en de anderen duwden.” Bij boer Roelofs aan de Haven werd de melk gekarnd. “Wij mochten zoveel karnemelk drinken als we maar wilden. Na een halve liter zat je helemaal vol. Dat kostte de boer maar een paar centen. Maar in ruil daarvoor hadden wij alle vrijheid. We mochten ook gratis konijnen houden in de schuur bij de stallen van de koeien.”

 

 

Meneer de Bolster: ‘Dat bruggetje vanaf de Cronesteinkade heeft na de oorlog nog een tijd bestaan. Ik heb er later nog op staan vissen.’

 

Joodse wezen

De vrienden zwommen na schooltijd en in vakanties vaak in de Stadsmolensloot, aan de latere Lorentzkade, vlakbij een ander smal houten bruggetje naar de plaats waar nu de Vredeskerk staat. De Sitterlaan bestond nog niet. “We namen geen badpakken mee. Dat deed je gewoon in je onderbroek.” In vakantietijd waren ze bijna iedere dag op het land. “Op vakantie gaan was er toen niet bij, dus dat was machtig mooi de hele dag op het land. Het was ook een uitkomst voor onze ouders. We gingen ‘s ochtends weg en kwamen pas ‘s avonds weer terug. Soms bleven we zelfs slapen op het weiland. Dan kregen we een laken mee en een tafelzeiltje op stokken. Dat was onze tent. Vader kwam dan om elf uur ‘s avonds kijken wat we uitspookten. Er gebeurde nooit wat. Zo buiten slapen kon toen nog, je had een gevoel van veiligheid.” “We hadden ook veel contact met de jongens uit het Joodse weeshuis. Daarachter lag een grote tuin en een speelplaats voor de kinderen met een hek eromheen. Wij hadden op een braak stuk land aan de Cronesteinkade een voetbalveldje gemaakt met doeltjes op paaltjes. Zij konden ons zien vanuit hun achtertuin. De joodse kinderen gingen de voordeur uit aan de Roodenburgerstraat, liepen buitenom en vroegen of ze mee mochten voetballen. In de winter bevroor het regenwater en werd er op dat veldje ook geschaatst.” Het contact ging niet verder dan voetbal en schaatsen. “Wij mochten nooit naar binnen in het weeshuis, en we nodigden hen ook niet thuis uit. Dat deden we onderling in onze eigen buurt wel.” Er was toch een verschil en niet alleen vanwege hun godsdienst en cultuur. “De joodse kinderen kwamen ook uit een beter milieu dan wij, het was een ander genre mensen. Ze kregen goede begeleiding en gingen doorstuderen. De arbeiderskinderen van het Levendaal niet. Met 14 jaar was het afgelopen met spelen, dan ging je naar de fabriek.” Maar bij het voetballen viel elk onderscheid weg: “We gingen gewoon met elkaar om. Ook de joodse kinderen vloekten als je ze tegen hun schenen schopte.”

 

Typograaf
Op zijn veertiende ging De Bolster als typograaf werken op een drukkerij en maakte dagen van 8 uur tot half zes. “Dat handzetten was een prachtig vak dat ik tot mijn zestigste met plezier heb uitgeoefend. Jammer dat het beroep niet meer bestaat. Maar er is nog een vereniging van typografen en die zoeken elkaar nog steeds op.” Het werk nam alle tijd in beslag. Spelen was er bijna niet meer bij. Tijdens zijn schaatstochten over de Stadsmolensloot richting de molen aan de Kanaalweg merkte hij dat zijn vroegere speelterrein in een woonwijk veranderde. In 1949 ontmoette hij zijn latere vrouw toen hij drukwerk bracht naar Farminon, het farmaceutisch bedrijf aan de Herensingel waar ze op kantoor werkte. In 1951 trouwden ze en gingen ze, uiteindelijk voor negen jaar, inwonen bij haar ouders in de Borneostraat in de Kooi. Daar werd hun eerste zoon geboren. Op hun eerste eigen bovenhuis in Leiden Noord kregen ze een tweede zoon. In 1969 kregen ze de kans tot woningruil met een collega van de drukkerij. Zo kwamen ze in de Buys Ballotstraat terecht.

 

Burenhulp
Mevrouw de Bolster kende de huizen al omdat een vriendinnetje van de Mulo hier woonde. “En ik heb ze zien bouwen”, vult haar man aan.“Toen we hier kwamen, woonden er veel oudere mensen aan de overkant. Ik vond het een grijs buurtje”, vertelt mevrouw de Bolster. “Veertig jaar geleden waren oudere mensen veel stabieler en ouwelijker gekleed voor hun leeftijd dan nu. Verderop woonden twee oudere heren alleen en dan hield je een oogje in het zeil of het wel goed met ze ging. Dat was toen meer dan nu. Dat kon omdat je veel thuis was. Ik werkte alleen de woensdagmiddag en de zaterdag in een kledingbedrijf op de hoek van de Herengracht. Ik deed ook wel boodschappen voor een oude mevrouw verderop in de straat”. De contacten gingen overigens niet verder dan burenhulp. “Je ging niet bij elkaar op visite.” De Buijs Ballotstraat zag er in 1969 anders uit dan nu. Nog lang niet iedereen had een auto. De stoepen waren breder. Toch speelde hun jongste zoon weinig in de smalle straat. Hij ging liever voetballen naast het hockeyveld, op de plek waar nu de speeltuin is. Hij ging naar de opleidingsschool in de Du Rieustraat. “Het was een goede school, maar we kwamen er niet zo veel. Hij liep zelf naar school en in die tijd hoefde je nog niet te helpen op school zoals nu.” Er waren veel winkels in de buurt, zoals schuin tegenover hen de kruidenierwinkel van Van Mil. Meneer de Bolster: “Op elke hoek van de straat was een winkel. Maar de sfeer was toch al iets anders dan ik van vroeger gewend was. Hier in de wijk hadden ze echt sluitingstijden, heel anders dan in mijn vroegere buurt. Toen kon je in de Kraaierstraat als je opeens trek had nog om 12 uur ’s avonds een bokking krijgen bij de viswinkel. Dan klopte je aan en kwam er iemand in nachtpon naar beneden.”


Het echtpaar ziet nog meer verschillen met vroeger. “Er zijn nu veel jonge gezinnen in de straat. Wij zijn nu de ouderen. Toen woonde je ergens en bleef daar lang. Nu blijven gezinnen maar enkele jaren in de straat en vertrekken veel sneller dan vroeger naar een grotere woning. Vroeger sliepen soms wel tien kinderen op een kamer. Iedereen werkt nu overdag, de postbode geeft pakjes altijd bij ons af.” Meneer de Bolster ervaart ook een sterk contrast met zijn jeugd op het Levendaal. “Toen lag ik met mijn broers op een onbeschoten zolder. ‘s Winters was het daar zo koud dat mijn broer aan vader vroeg: ‘Mag ik die deken met mouwen?’. Dat was mijn vaders oude winterjas. Nu wonen we in een riante woning in een beschermde buurt. Ik voel me nog echt veilig hier.” Mevrouw beaamt dat: “Als ik naar de stad ga, doe ik mijn portemonnee altijd in de binnenzak van mijn jas, maar als ik hier naar de bakker of drogist ga doe ik hem rustig in mijn boodschappentas. Er is toch iets overgebleven van de oude sfeer.”

 


Roodenburgerpolder jaren dertig: ‘Door de weilanden liepen paden’ Bron: RAL