Ontwerpers of kunstenaars?

Via de telefoon maken we een afspraak. “Even aan mijn broer vragen”, zegt Bert. “Woensdagmiddag of donderdagvond?” “Ogenblikje. Wim, donderdagavond?.... Nee, dan heeft hij een vergadering.

                                     Woensdagmiddag? Wim?”

 

Aan weerszijden van de post zitten twee deurbellen met twee naambordjes eronder. Ik kies voor de elektrische bel. “Gelukkig hoorde ik het,” zegt Wim als hij opendoet, “de meeste mensen kiezen voor de schel.”

 

Wim en Bert van der Veer zijn tweelingbroers, en wonen in één huis aan de Wasstraat. De straat met de vreemde winkelhaak in de huizenrij, die aan beide zijden een straat oversteekt en zo ver doorloopt dat je diep in de wijk nog steeds een bordje met ’Wasstraat’ kunt tegenkomen. Het huis van Wim en Bert staat in het oudste deel (1906), voorbij de knik. Wim woont boven, Bert beneden. Al veertig jaar. Als kind gingen Wim en Bert wel eens wandelen met hun ouders door de Wasstraat. “Hier wil ik nooit wonen, zei ik dan”, lacht Wim. “Maar toen ik dit huis van binnen had gezien, veranderde ik meteen van gedachten.”

Dat was in jaren zestig, de tijd van de woningnood. De broers moesten veel moeite doen voor een woonvergunning. De gemeente vond dat het verhuurd moest worden aan een gezin. Bert (“Ja, dat soort dingen doet Bert”) ging brieven schrijven en gesprekken voeren met de ambtenaar, tot de makelaar na veel getouwtrek een regeling kon treffen met de gemeente. “Tja, het was eigenlijk een soort chantage, maar de enige manier om het in die tijd voor elkaar te krijgen.” “Wij moeten óók wonen”, was het argument van Bert.

Voordien hadden ze samen een atelier aan de Pesthuislaan. Op een tekening van Wim zie ik Bert daar aan het werk. Een raam met pullen in de vensterbank, Bert op een kruk voor zijn doek, overal schilderspullen.

 

Toen Bert en Wim hier kwamen wonen hebben ze veel opgeknapt, en waar nodig teruggebracht in originele staat. Dat moest, vond Bert, of het nu uit de jaren tien, dertig, of vijftig is. Erg vooruitstrevend in een tijd waarin de authentieke details toch vooral vervangen werden door verlaagde plafonds, trapleuningen werden gesloopt en platen op paneeldeuren werden gezet. Zelfs de keuken is nog in oude staat!

Wim loopt even weg om koffie te maken, Bert neemt naadloos over. Je kunt met de één een onderwerp aansnijden, en met de ander verdergaan. “Zelfde werk, hè.” Gaat het over kunst, dan is het voor een buitenstaander soms lastig te volgen. “Soms zeggen mensen achteraf: ik heb een leuk gesprek met jullie gehad, maar ik heb geen idee waarover.”

 

Kunstenaars

“Wij zijn maar halve kunstenaars”, zegt Wim, en Bert beaamt dat. “Beide zijn we lid van Ars (Aemula Naturae).” Wim heeft zestien jaar een cursus tekenen gegeven aan jongeren (12 -15 jaar), nu vervangt hij docenten die verhinderd zijn, of het nu model-, portret- of landschapsschilderen is. Bert heeft een zes jaar de cursus grafisch ontwerpen gegeven. “Maar een kunstenaar moet eigenlijk exposeren. En dat doen we eigenlijk niet.” Na de kunstacademie zijn ze meteen bij Ars terecht gekomen (in de jaren zestig). Beiden hebben ze in de ballotagecommissie gezeten. Wat is de grens tussen kunst en kitsch? “Dat is eigenlijk moeilijk uit te leggen, dat voel je gewoon aan. Maar het blijft altijd moeilijk om te oordelen.” Zijn jullie zelf dan echt geen kunstenaar? “Tja kunstenaar is zo’n groot woord.” Toch kan Wim wel een stuk of vier exposities noemen, en Bert nog wel meer. “Een expositie organiseren is veel werk en brengt kosten met zich mee,” zegt Bert, “dat is niet zomaar even wat schilderijtjes ophangen. Je moet lijsten aanschaffen, passepartouts snijden, uitnodigingen versturen.” De aan hem gewijde overzichtstentoonstelling van 25 jaar nieuwjaarskaarten was dan ook heel intensief. De broers hebben ook eens samen met Lucia Steinbach (buurtbewoonster) geëxposeerd in de Lorentzhof, waar hun moeder woonde. “Die was apetrots.”

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Reclame

Maar hun brood verdienden ze in de reclamewereld. Wim als illustrator en beeldend vormgever, Bert deed grafische vormgeving. Vroeger was dat echt knip- en plakwerk. Bert heeft bijvoorbeeld een omslag gemaakt voor een dissertatie over Berlage, en gebruikte daarbij Berlages’ letters. Een letter ontbrak, die heeft hij toen zelf maar ontworpen. Hij weet niet meer welke. “Nou, dat zegt toch wel wat.” Het boek bevindt zich in de collectie van museum Meermanno Westerianum in Den Haag, waar nog meer werk van hem is opgenomen. Ook het bekende logo van uitzendbureau de Koning in de Breestraat werd door hem ontworpen.

Wim was de creatieve man in de reclame. Eerst bij V&D, waar hij met een collega eens bekende impressionistische doeken naschilderde voor een etalage. Het voorbij wandelend publiek vond het prachtig en de directeur was zo groots dat hij de opdracht gaf een bordje te plaatsen: “Vervaardigd in eigen atelier”. Later werkte Wim bij verschillende reclamebureaus. De reclameblokken op tv zapt hij altijd weg. “Ja, er zitten natuurlijk wel leuke tussen, maar je moet je ook door al die troep heenwerken.” “Met jouw werk werd de vis ingepakt,” grapt Bert, “het mijne is blijvend.” En dan heeft hij het natuurlijk over de advertentiepagina van de krant. “Zet dat er maar niet in”, zegt Wim.

 

Ars

De donderdagmiddag van Wim en Bert is voor Ars. Zij maken schetsen van modellen, in tien minuten of een uur. Wim laat wat resultaten zien. Daar zie ik ze zitten. Studenten op een krukje. Precies zoals ze erbij kunnen zitten. “Dit is lang niet alles hoor,” zegt Wim, “ik bewaar alleen de mooiste.” “Als kunstenaar gooi je veel weg”, zegt Bert. “Veel dingen meteen, andere blijven nog een tijdje op de plank liggen, in een soort voorstadium voor de vuilnisbak.” Is dat dan het kenmerk van de hele kunstenaar, weggooien? “Een kunstenaar komt tot iets nieuws, het moet heel speciaal zijn. Denk bijvoorbeeld aan de portretten van Marlène Dumas.” Heeft Wim wel eens een groot schilder ontdekt bij Ars? “Nou, dat niet, maar soms ziet er wel iemand tussen met bijzonder talent. Laatst nog een cursist. Moest een groen en blauw vlak opzetten, landschap onder en boven drie bomen. De manier waarop die een opdracht aanpakte. Prachtig.”

 

Spook?

De opvallendste verandering in de buurt voor de broers is het verdwijnen van de buurtwinkels in de Cobetstraat. “Vroeger kon je de buurtwinkel bellen met je boodschappenlijstje en dat na je werk komen halen, vertelt Bert. “Nu is de supermarkt ‘s avonds open.” “Ik kan eigenlijk niks bijzonders vertellen over al die jaren in deze buurt of dit huis”, zegt Wim. Alhoewel... toen ze hier pas woonden kwam een kennis kijken naar het huis. “Een keurige oude dame was het, die nooit gekke dingen beweerde. Ze vond het huis prachtig. Opeens zei ze: ’Er komt een meisje naar beneden.’ Ik geloof alleen in dingen die je kunt beredeneren, maar zoiets onthoudt je toch.”

 

Eigen werk

Als aandenken krijg ik van Wim het eerste exemplaar van zijn nieuwjaarswens. Een collectors item, ieder jaar een origineel kunstwerkje op papier. Wim laat me de verschillende blokken zien met uit het linoleum gesneden vormen die over elkaar worden afgedrukt.
Dan vertrekt hij naar boven om in zijn dozen nog meer eigen werk te zoeken. Bert laat het zijne zien. Keurig op grote kartonnen in een standaard, zodat je er makkelijk doorheen kunt bladeren. Er zit een zelfportret in CT-scan bij. “Mag ik er een afdruk van?” vroeg Bert aan de specialist toen hij zijn scan zag, “daar kan ik mooi een litho van maken.” Dat Bert en Wim echte kunstenaars zijn, lijkt me nu toch boven twijfel verheven. “Bert niet alles laten zien, joh”, zegt Wim als hij terug komt. “Stoppen!”